Van de reize naar New York
Dit is het bericht van de heer Albert Thomassen, beleidsvoorbereidend ambtenaar in de oude stad Utrecht, en van de reize zoals die door hem is geschied naar de Marathon van New York, te weten van de dag dat hij begon met lopen tot aan de dag dat hij veilig thuiskeerde in het gezelschap van zijn reisgenoten.
In het jaar twee duizend en vijf, op de middag van de zes en twintigste mei trok ik, Albert Thomassen, oud een en veertig jaren, voor het eerst sinds zeventien jaar weer de loopschoenen en het nylongoed aan voor de eerste oefening. Zo ving mijn lange reis aan en het was een kostelijke dag met een milde zon. In mijn hart gloeide de toewijding eens in mijn leven mijn Grens te zoeken en het onvoorstelbare te doen opdat ik een rotsvaste herinnering zou hebben die mij sterken en gidsen kon in mijn verdere leven. Vier keren per week koos ik de weg en trotseerde de hoon van buren en werkgezellen. Zij beschouwden mijn moeite en toewijding als vergeefs en lachwekkend daar ik nooit tot in november zou doorlopen en niets anders dan een smadelijke uitvaller kon worden in het verre New York. Dit ten bewijze dat ongelovigen ons lopers altijd zullen kwellen.
Na een maand en twee weken sloot ik mij aan bij een gezelschap stadgenoten, die eensgezind dezelfde weg wilden afleggen en een even grote toewijding voelden de klassieke afstand te lopen door de stad New York, te weten twee en veertig duizend honderd vijf en negentig meter. Wij waren elf, negen mannen en twee vrouwen, in de leeftijd van student tot grijsaard. Sommigen waren ervaren lopers die ter Marathon waren gegaan in Rotterdam, Parijs en Berlijn. Voor anderen was de afstand nog een mirakel en zelfs vreeswekkend. Niemand van ons was tot New York gegaan en allen verheugden zich. De meesten kozen voor de reize uit verlangen naar vernieuwing van hun leven, uit liefde voor het licht dat uit de toewijding, de offers en de beproeving op ons zou neerstralen. Anderen aanvaarden de beproevingen van de reize als boetedoening voor jaren zondig leven en waren op weg gestuurd door hun gelieven, de doktoren en hun geweten. Zij hoopten op de genade van de vetverbranding, de daling van hun slechte cholesterol en de inspiratie tot matigheid die uitgaat van de gelofte de weg tot aan de finish in New York te voltooien.
De troep van elf vond zich op oefeningen in de koele bossen van die zomer. Zeer lange tochten ook maakten wij, om dichter bij de staat te geraken de Marathon waardig te zijn en haar te volbrengen. Op een zondagmorgen in de vroege uren om de zwaarste hitte voor te zijn togen wij onder het bladerdak en maakten maar een teer gerucht. Zo kon het passeren dat wij een hertenfamilie te dicht naderden en dat de dieren geschokt waren en met woeste sprongen en onder brekend struikgewas de vlucht kozen. De moeders en hun kalveren verdwenen in een oogwenk met pijlsnelle vaart. Nog groter was de schrik onder de lopers. Twee van ons moesten wandelend bijkomen van ademnood maar allen erkenden dat de pracht van de aanblik van de dieren hun roodbruine vachten en hun sierlijkheid in het gevlekte licht boven alles verheven was.
Een van de reisgenoten, de ervaren loper Rudolf van Maurik, uitgetreden productiemanager van de koekfabriek te Ede, deelde op een lome augsustusdag gedurende de afsluitende rekoefeningen met ons het relaas van zijn eerste Marathon. Toen hij na maanden trouw en duchtig lopen in Parijs, het betreffende oord aankwam, hing een drukkende hitte over de stad. Drie van zijn reisgenoten bezweken aan de uitputting en werden door broeders op draagbedden naar hospitalen gebracht. Hijzelf kon op zijn laatste benen de tocht volbrengen, maar waarschuwde ons toch vooral te oefenen in het drinken van water en voedzame dranken om de vijfduizend meter. Aldus deden wij, met hulp van broeders van een atletiekvereniging, die tafels met dranken opstelden langs de wegen van onze langste oefentochten.
Twee reisgenoten kwamen niet ter stede van New York aan. Een van ons, de Limburger Leo Schaafs, nog geen dertig jaren oud, bleef met zijn voet haken onder een boomwortel en scheurde weefsels rond zijn knie. We moesten hem achterlaten alsook Maartje Houten, die meer en meer in de greep van twijfels kwam en haar toewijding zag vervliegen. Wij konden haar niet redden en zij viel weg uit de boezem van ons gezelschap. Wij kunnen alleen maar hopen dat ze spijt heeft.
Oprechtheid behoort bij de deugden van de marathonloper en niemand van ons reisgezelschap is twijfel of blessures bespaard gebleven. De eenzaamheid en de spierpijn die horen bij een urenlange tocht tegen een kwade wind in waren maar kleine proeven van de obstakels die ons wachtten en in die geest verdroegen wij ze.
Toen kwam de dag dat wij over de post ons vervoersbewijs en het startnummer ontvingen. We drukten het aan onze borst en dachten daaruit de vreugde al te kunnen opsnuiven die ons ten deel zou vallen tijdens onze rondgang door de grote stad. In de menigte op de luchthaven zochten wij andere reizigers op die dezelfde reize maakten en verheugden ons in steeds bezielder stemming.
Ook troffen wij in die menigte en in de herbergen in New York waar wij onderdak vonden de reizigers voor wie wij gewaarschuwd waren. De welgestelde en hoogmoedige lieden, die spotten met de kilometers die wij gemaakt hadden en roekeloos en slecht voorbereid aan de Marathon begonnen. Zij pochten van hun bereidheid pijn en ontbering te doorstaan, maar sporen van de ware toewijding, die een reiziger toont in de maanden voor het startschot, waren in hun doen en laten afwezig. Meer ging hun aandacht uit naar het verwerven van aanzien en bijval, profijtelijke contacten voor hun handelswerk en zelfs geneugten uit drank en wellust. Het licht van de Marathon en de nederig stemmende vreugde van de volbrachte tocht, zouden in hun hart niet schijnen. We hoorden lopers verkondigen dat deze valse lopers verderfelijker zijn dan ongelovigen, daar zij dwalingen verspreiden. Ik zegt het u voort zoals het mij is verteld.
Ongeloof vervulde ons bij het betreden van de grote stad. Onze gedachten raakten bedwelmd door verbazing dat dit hemelhoge bolwerk van torens en machtige drommen en schatrijke heren zichzelf onthouden zou van haar dagelijkse gang en ruim baan zou geven aan ons, reizigers van ver. Uit alle windstreken waren de lopers gekomen en zij waren herkenbaar voor elkaar door hun uitdossing. Wij droegen de startnummers al op onze borst op de dagen voor de marathon en ontmoeten overal in de herbergen en op de pleinen hartelijkheid en behulpzame lieden. De bewoners beschouwen de Marathon als een viering van de pracht en roem van hun stad en geven op uiteenlopende wijzen uitdrukking aan hun bewondering voor de lopers die hun Grens opzochten en voor de ogen van de stad hun laatste krachten aanspreken, in de vrome hoop zichzelf te overwinnen. Zo nietig als onze lichamen waren in New York, zo groot en heldhaftig konden wij ons als lopers voorkomen. Een massa helden, nederig en verheven in hetzelfde ogenblik.
Vanuit de kleine maar rijk uitgeruste kamers van onze herberg vertrokken wij in alle vroegte op de grote novemberdag naar de start. De overgave aan de laatste statie van onze reis, de bekroning van alle maanden oefening, twijfel en vermoeienis, verspreidde een grote broederschap onder het lopersvolk. Chinezen en Afrikanen, Italianen en Arabieren, Nederlanders en Amerikanen, ze wisselden woorden uit van bemoediging en geruststelling. In onze lopersgewaden kon niemand zich onderscheiden naar ras, rijkdom, geleerdheid of aanzien.
Mannen die grote fortuinen bestierden en duizenden knechten commandeerden in hun woonplaats stonden hier in broederschap naast ambteloze vrouwen wier familie jarenlang gespaard had haar deze reis te laten maken. Jonge atleten die stralend hun roem zouden oogsten door ver onder de drie uren de rondgang te volbrengen onderhielden zich als gelijken met grijsaards en zwaarlijvigen die baden dat ze binnen vijf of zes uren de eindstreep zouden zien. Het maken van winst, het doden van vijanden, het afdwingen van gehoorzaamheid, het leiden van de staat, de zorgen om afkeuring van buren en familie, voor de duizenden die deel uitmaakten van deze gebeurtenis was dat voor even niet meer de wereld warain zij leefden. Tegenover de uiterste inspanning, de Grens die gloort in de marathon, stonden wij allen naakt een weerloos in onze schamele gewaden.
De processie ving aan onder luid gejuich. Als het lichaam van een devote reus bewoog de menigte zich voorwaarts van Staten Island over de Venazano-Narrows Brug over de de ijzige wateren rond de stad. De ontvangst in Brooklyn verwarmde onze harten en rimpelde onze huid. Enkele broeders beweerden dat er evenveel volk stond te juichen als dat er meeliep in de Marathon. Vanachter de hekken bereikten ons de kreten en aanmoedigingen. Er klonk zowaar dank in door dat wij ons zo ver van huis waagden aan het ritueel van de zelfoverwinning, bij hen, in deze mooie stad. En wij hoorden kreten van bewondering voor de lopers, om hun moed en toewijding. Nergens eerder had ik zoveel uitingen van geloof gehoord uit de kelen van niet-lopers. Een groter welkom voor onze tocht langs de uitersten van onze kracht en wil konden wij ons niet wensen. Wij liepen onze eerste kilometers door een feest.
Bij het betreden van het stadsdeel Queens passeerden wij een gemeenschap landgenoten die daar extra inspanning leverden voor het aanmoedigen van lopers afkomstig uit de Lage Landen. Aangezien wij ons op geen enkele wijze bekend maakten als Nederlanders konden wij deze uitbundigheid genieten zonder er door te worden verslonden, zoals enkele andere lopers gebeurde. Zij hielden bijkans halt en onderhielden zich handenschuddend met het volk achter de hekken, zingend en zwaaiend met hoog gestrekte armen. Atie, de onderwijzeres van middelbare leeftijd, maakte door wat zij had voorspeld. Ze wist dat ze door een donkere passage moest tussen de twee en twintigste en de vijf en twintigste kilometer. Deze zuster lijkt slechts opgetrokken uit vel, botten en wat haar en was een van de sterkste lopers in ons gezelschap. Maar altijd waren er die kwade kilometers halverwege. Wij omringden haar, boden haar extra spijzen aan en bemoedigden haar, totdat aan gene zijde van de Queensboro Brug alweer de dappere glimlach verscheen.
Herman, de chef van de postsorteerderij, een loper die iedereen de reize moeiteloos zag volbrengen werd als bij bliksem door ellendigheid overmand. Juist op het mooiste deel van de tocht, door de Upper East Side, waar merkwaardig uitgedoste massa’s de lopers toeriepen tussen de schilderachtige gevels, voelde hij het licht doven. In droefenis gehuld en met hangende schouders aanvaardde hij de wandelpas en gebaarde dat wij niet moesten wachten. Ik zelf bleef met secure regelmaat spijzen en drank nemen en leed weliswaar pijnen aan kuiten en knieën, maar toch voelde ik mij gedragen door een mettertijd zaliger hoofd. Ook mijn borstholte en ingewanden, hoe beurs en moe zij ook voelden, deelden bij het betreden van de Bronx in de zalvende overtuiging dat ik de eindstreep deelachtig zou kunnen worden.
De jongere leden van ons gezelschap lieten zich al als helden bewieroken op de laatste kilometers in het Central Park, toen Rudolf en ik door Harlem trokken. Oord van pijn en sinistere dromen, zuivere levenskracht en de glorie van de vindingrijkheid en in onze zoemende hoofden ontroerde ons de rauwe kreten, het uitzinnige zwaaien met vaandels van de Amerikaanse natie. Ik zag een diepe verwantschap tussen de wreedheid en schoonheid van het leven in deze stad en haar achterland en de zelfopgelegde uitputting en verlichting die in de Marathon besloten liggen.
De laatste maskers gingen af, ook de bluffers en pochers moesten inbinden. Enkele zeer fit en ervaren ogende lopers moesten erkennen zich te hebben verkeken op de wind, de bruggen, de kilometers. Zij leden kwalijk om de laatste drie kilometer te voltooien. In alle nederigheid en dankbaarheid kan ik berichten dat mijn rug recht was en dat ik mij dankzij de wijze berekening en de vrome overgave aan de Marathon en de reize die wij maandenlang maakten, bevrijd voelde uit de kerker van mij zelve. Ik was ooit een zwaarmoedige, weifelachtige en verre van levenskrachtige man. Hier liep ik over de heuvels van het Central Park in de hemelse zekerheid dat dat niet de diepste waarheid over mijn leven was. Ik baarde na maanden zorg, toewijding en labeur een nieuwe, grotere waarheid.
De laatste haakse bocht, de laatste achthonderd meter braken aan en ik liep uit mijn wereldse gedaante als zoon, vader, echtgenoot, ambtenaar, broer, buurman en Nederlander weg. Een zuivere wil, een naakte ziel, een lichtgevend en onblusbaar wonderwezen bereikte de eindstreep. Ik lachte in mijn ellendigheid en keerde mijn maag in de New Yorkse struiken, mijn benen werden stijf als planken, maar eeuwige waarde was wat ik in mijn handen hield en deelde met mijn reisgezellen, die ik over de streep zag komen. Wij waren winnaars, onze reize had ons gesticht, gezegend, verbonden, terecht gewezen en de ogen geopend voor de krachten en de hulp die ons lopers dragen. En zo openbaarde de reize naar New York hoe de Marathon onze zaligmaker kan zijn.
Overal waar wij kwamen bloeiden de vertellingen over de gemaakte tocht. In afwachtingen van de inscheping in het vliegtuig passeerden we een dag op de luchthaven en van overal getuigden lopers van hun belevenissen en denkbeelden. Er werden blijheid en troost uitgewisseld. Ook door onze aderen woelde de lust om te vertellen. En onvermoeibaar bleek die lust te zijn bij thuiskomst, waar ieder terugkeerde naar zijn huiskamer vol ademloze luisteraars. En ook verzoenden wij ons met onze kleine levens, omdat wij die gezien hadden in een Hoger Licht. Al zal de openbaring nooit meer zo groot worden als tijdens deze reize tot New York, ik lever u dit bericht in de zekerheid dat in deze geest en door deze toewijding de Marathon mij zal zegenen en behoeden voor vet, zwaarmoedigheid, zelfhaat en verveling.
Zo keerde ik terug tot de oude stad Utrecht, aan de rand waarvan ik ’s anderendaags al weer mijn oefeningen deed en liep. Niet meer de grauwheid van de hemel, de poverheid van het uur of de schamelheid van mijn bekleding telde. Zelfs de vier uren en een en veertig minuten die ik onderweg was in New York hebben geen belang. Alleen de beloning, die mijn toewijding en overgave mij brachten telt. Onvervreemdbaar en gekoesterd in de boezem van mijzelve, Albert Thomassen en de mijnen, vrienden en gelieven, met wie ik naar te hopen nog vele jaren op aarde leef.
(Dit is een stuk uit Tempo, een bundel essays en verhalen over hardlopen, die verscheen in april 2007 bij Augustus)