Dirk van Weelden

September 29, 2007

Straatsofa

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 12:06 am

limone40263d6c99b42-web.jpg

De bank is kouder dan de rest van de wereld. Niet lang geleden heeft het gesneeuwd en op de zitting en de rugleuning is het blijven liggen. Op de straat en het trottoir is het hemels wit al in water veranderd. De straatsofa heeft de sneeuw bewaard. Het ziet er verlaten uit. Het roestige hek bij het huis erachter had ooit iets lieflijks misschien, met zijn krulornamenten. Nu werkt het melancholiek, zo voor het binnenplaatsje met plassen en vuilnisvaten. De sofa is vogelvrij maar nog onaangeraakt. Niemand heeft zijn vuilniszak op de zitting gezet of het bruine leer met een zakmes opengereten. Het hangt met de vermoeide plooien van een bejaard olifantenoor langs de rugleuning.

Op straat terecht gekomen boekenrekken en nachtkastjes bieden een niet half zo’n verlaten aanblik. Misschien wel omdat de sofa een meubelstuk is waarmee we een directer lichamelijk contact hebben gehad, is hij van alle soorten grofvuil het meest in staat ons te raken. Matrassen kunnen een bijna surreëel treurig beeld opleveren, maar minder dan het bankstel kunnen ze uitgroeien tot een personage. Matrassen zijn toch gebruiksvoorwerpen waar we pas bij stilstaan als ze op straat lliggen. Met bankstellen leven we bewuster samen. Straatsofa’s zijn voorwerpen die op mysterieuze wijze bepaalde gevoelens en verlangens uit het hun omringende leven hebben opgenomen en die bij hun verbanning naar de straat openbaar uitstralen.

Dat vermoeden, -want wat is het anders?- kun je een fantasie noemen of een projectie voor mijn part. Toch weet ik zeker dat ik iets op het spoor ben. Nu ik een tijdje rondvertel dat ik erover wil schrijven sturen mensen die ik maar tien minuten gesproken heb op een receptie of presentatie me hun foto’s en dia’s van straatsofa’s. Beelden van achtergelaten bankstellen in de Amsterdamse binnenstad, op een avenue in Barcelona en in een straat in Willemstad Curacao. En ik heb het ze gevraagd, ze maken geen foto’s van ander grofvuil of afgedankte huisraad. Alleen van achtergelaten banken. Ook mensen zonder artistieke pretenties, die anders alleen kinderen, huisdieren, familieleden en het hotel of pretpark fotograferen, voelen de neiging om te kadreren en af te drukken als ze een straatsofa tegenkomen. Bij gevolg zijn er op het internet in enkele seconden honderden foto’s van straatsofa’s te vinden. Niet van op straat gezette bureaustoelen of lectuurbakken.

Straatsofa’s zijn fotogeniek. Dat is een symptoom van het grotere en rijkere verschijnsel dat de straatsofa is. Een verlaten bankstel roept bij veel mensen een fotografische reflex op. Maar het is meer dan een visuele indruk, die je al dan niet omzet in een beeld. Het is een gebeurtenis, die ontstaat, begint, duurt, verloopt en eindigt. De omgeving en de mensen, de verhalen en scenes die bij een straatsofa horen zijn even boeiend als de foto van de bank zelf. Zodra er een bankstel op straat verschijnt vormt zich een klein universum, waarin het lot van een straatsofa afhangt van de dagen en de nachten, de straten en de huizen, van de voorbijgangers, de vandalen, de dieren, het weer en de wet.

Het eerste en meest bepalende feit aan een straatsofa is dat hij formeel en praktisch van niemand is. Voor het vrijwillig prijsgeven van eigendom is geen duidelijker voorbeeld te bedenken dat het aan de weg zetten van een bankstel. Het Engels heeft voor de straatsofa de uitdrukking abandoned sofa. Je gebruikt het werkwoord to abandon in gevallen van ‘afstand doen’ of ‘prijsgeven’. Maar ook voor te vondeling gelegde baby’s is het woord te gebruiken; de notie van in de steek laten en overleveren aan verlatenheid en onveiligheid is erin verwerkt. Een bankstel kun je strikt genomen niet te vondeling leggen. Mensenbaby’s hebben juridische en morele rechten die meubels niet hebben. Maar toch, aan de straat gezette zuigelingen zijn net als sofa’s overgeleverd aan de passanten en hun luimen. Zijn die onverschillig of juist empathisch? Zien ze eervol werk voor zichzelf? Iets moois en goeds in het verschiet? Geld? Of vooral de gelegenheid een verdorven behoefte te bevredigen? Een abandoned sofa is een vogelvrij voorwerp. Wie een sofa ziet staan die zonneklaar van niemand is, kan hem meenemen en opknappen of juist uit elkaar slaan en verbranden. Het is niet chic of beschaafd misschien, maar in principe is er niets tegenin te brengen. Zo wordt ook over mensen gedacht, trouwens.

Een straatsofa is een grens gepasseerd en in niemandsland terecht gekomen. In het huis van zijn bezittters genoot hij de bescherming van het eigendomrecht en het recht op huisvrede. Er waren huisregels en gewoontes waarmee het gebruik van het meubel omringd werd. De sofa werd gerespecteerd. Geen schoenen op de bank. Niet op de bank springen. De kat bestraffen als hij aan de bank krabt. Nooit zonder schotel onder je kopje koffie drinken op de bank. Alleen seks op de bank met een badlaken eronder. Geen peuken uitdrukken op de bank. Verboden met viltstift en balpen op de bank te tekenen. Nu mag ik weer eens languit op de bank. Een sofa is een bevoorrecht meubel. Hij is bij uitstek het centrum van het huiselijke systeem, al was het maar omdat hij tegenover de televisie staat. Hij wordt meer nog dan andere meubelstukken gespaard, schoongemaakt, gerepareerd en eventueel opnieuw bekleed. Een bankstel, hoe hysterisch lelijk ook, is ooit door iemand welbewust gekozen als een welkome aanvulling op zijn persoonlijk leven en dienovereenkomstig behandeld. Uit die positie is een straatsofa verbannen. Aan de straat staat een afgedankte huisgenoot.

Getuige de onderschriften en de webdagboeken (blogs) van de fotografen is het hierboven opgeroepen sentiment het brandpunt voor de fotografische fascinatie voor straatsofa’s. ‘Hij heeft ooit mensen trouw gediend. De verlaten sofa is een teder monument voor de ondankbaarheid van de mensen en de liefdeloosheid van de wereld,’ las ik ergens, in een verder jolig-ironische context. Het had een beschouwelijke en dichterlijke klank. Veel foto’s van straatsofa’s omarmen die melancholieke kijk op hun onderwerp tot in het sentimentele en kitschige toe. Dan is de invalshoek schuin en steels, dan gaat de zon net onder en krullen er bebloesemde twijgen van een struik over de rugleuning. Of de lucht boven het bankstel is groots en adembenemend mooi bewolkt door goudomrande luchtkastelen. Er zit een kardinaalvink op de armleuning of er slentert een wit hondje weg bij de scheefgezakte sofa tussen de brandnetels. Het zijn beelden die het goed doen als poster. Iets om in te lijsten en boven de eettafel te hangen ter meerdere eer en glorie van het huiselijk geluk. Een mooi zielig plaatje. De straatsofa gebruikt als de ontmenselijkte versie van het huilende zigeunerjongetje van Bragolin.

Natuurlijk zijn er ook mensen die met een opener geest, minder simplistische esthetiek en meer nieuwsgierigheid te werk gaan. Zoals James F. Dean, die een archief aanlegt van straatsofa’s in zijn stad; de website heet Abandoned sofa’s of L.A. Hij plaatste er ook een foto van zichzelf en zijn zusje als kinderen, zwart-wit, vroege jaren zestig. Een stille zonnige buitenwijk. Ze zijn voor het laatst op hun langs de straat gezette sofa aan het spelen. Dean herinnert zich dat hij per se zo lang mogelijk op het geliefde meubel wilde spelen tot de vuilnisman kwam.

Je ziet een jongetje met blond peikhaar en een bezorgd spiedende blik. Hij heeft er moeite mee dat warme, zachte meubellichaam te zien vertrekken. De sofa is meer dan een meubel, het is ook een plek, een gevoel in zijn vingertoppen, een aantal houdingen, bekende geuren, herinneringen. En zeker voor een kind krijgt die rijke en met de tijd veranderende kluwen aan zintuigelijke indrukken een veel meer dan lijfelijke betekenis. De bank was bijna een levend wezen, bijna bezield, bijna een vriend. De verbanning van het bankstel wekt een onrustig en verdrietig gevoel.

En sindsdien kijkt Dean met verwondering en empathie naar afgedankte bankstellen. Zijn foto’s zijn afstandelijk, feitelijk. Snapshots van een verlegen verslaggever of een beeldend kunstenaar die schetsen verzamelt. Hij houdt een flinke afstand van de sofa’s, die meestal verschijnen in uitgestorven, zongeblakerde straten. Hij neemt de foto’s waarschijnlijk uit de losse pols vanachter het stuur van zijn wagen. Een deel van Deans verzamelwoede, -zo is op te maken uit de spaarzame tekst bij zijn project, komt voort uit zijn verbijstering over het groeiend aantal straatsofa’s. Voor iemand die zo bevriend was met het bankstel uit zijn kindertijd is het onbevattelijk dat mensen hun sofa’s zomaar weggooien, omdat ze niet de moeite van het opknappen waard zijn; of bij een verhuizing besluiten dat de sofa niet mee mag.

De gemiddelde straatsofa is van een lomp ontwerp, bekleed met beschimmeld textiel of versleten dan wel opengesneden nepleer in hemeltergende kleuren. Veel exemplaren zijn met onbenoembaar smerige substanties vervuild en half gesloopt. Maar zo zijn ze niet allemaal en er zijn nog steeds stadjutters die rondrijden om de goeie bankstellen eruit te kiezen. Hoeveel van de op deze manier hergebruikte sofa’s worden opgeknapt is moeilijk te zeggen. Misschien de helft. De andere helft van de nog bruikbare bankstellen wordt in de aangetroffen toestand in bezit genomen door mensen zonder geld, die weinig tot geen eisen eisen stellen aan meubelen en onmiddellijk iets nodig hebben om op te zitten. Dat kunnen afgegleden, getokkieficeerde sociaal zwakkeren zijn, al dan niet met een drank of drugsprobleem. Maar ook studenten of jonge kunstenaars die voor hun werkruimtes een low budget oplossing voor een zit en ligprobleem zoeken. Of krakers, die vanaf punt nul een leefwereld opbouwen in een pakhuis of kantoorgebouw. Of verweerde stadsnomaden, aangespoeld uit Oost-Europa, die hun nederzetting van karren, hutten en schuilplaatsen in de dode hoeken van de stadsrand willen opvrolijken met behulp van een sofa. Ik heb ze zien staan, onder een spoorviaduct, om bij een vuurtje ’s avonds wat te drinken en muziek te maken.

De straatsofa als het meubilair van mensen die de straat bewonen. In sommige buurten gebeurt het als het nationaal voetbalelftal aan het WK meedoet, dat de straat een huiskamer wordt, compleet met sofa’s. Dat zijn feestelijke incidenten. Er zijn ook buurten waarin op braakliggende plekken of in een doodlopende straat een sofa staat en een paar mannen in de invallende schemer van een winterdag zitten te drinken. Hun huizen zijn klein, smerig, vol tetterende kinderen en verbitterde vrouwen, café’s zijn er niet, niemand heeft geld. De mannen strijken ook bij kou en slecht weer met hun drank en sigaretten neer op straatsofa’s. Je ziet er meteen een olievat voor staan waaruit de vlammen dansen. Zulke straatsofa’s zijn een embleem voor armoede en verloedering.

Misschien is het lot van een straatsofa wel een graadmeter voor het achterbuurtgehalte van een stedelijk gebied. Is de afgedankte bank op het juiste moment en op de juiste plek buiten gezet, dan zal hij in een nette buurt in hooguit een paar uur verdwenen zijn. Meegenomen door stadjutters of de vuilnisman. Hoe meer er met de sofa gebeurt, hoe langer de sofa op straat blijft en hoe intensiever hij deel gaat uitmaken van het straatleven, hoe hoger het ghettogehalte van de omgeving. De straatsofa als vast element van de straten in een achterbuurt is een grimmige aanvulling op de wat zoetelijke melancholie van de foto’s waarin de straatsofa gedachten over vergankelijkheid oproept. Dit is geen aantrekkelijke weemoed meer, maar suggereert de harde feiten van verwaarlozing, ontbering, uitzichtloosheid.

Het armoedige aura dat om de straatsofa hangt is niet altijd naargeestig en triest. Er is een enkele jaren oud Fanta tv-spotje waarin een paar jongens een sofa meenemen uit een zonnig voorgestelde versie van een Braziliaanse favela en hem door de stad dragen. Het is een razendsnel gefilmde tocht vol hindernissen en kolderieke momenten. Uiteindelijk komen ze op het strand aan. Daar poten ze het ding in de branding neer. Met het tussen de kussens gevonden kleingeld kopen ze een paar flesjes Fanta en ploffen neer. Ze drinken de prik met hun blote voeten in de branding. De sofa heeft een zoet, onschuldig gebruik gevonden. Op het strand, waar huiskamer en openbare ruimte toch al vermengd zijn. De vluchtige ghetto-associatie die dit filmpje oproept, is van alle treurigheid en grimmigheid ontdaan. Je ziet enthousiaste, grappige, vindingrijke jongens, dolblij met de kleine luxe van een echte sofa op de ideale plek op aarde. De bevrijding uit de deprimerende realiteit door middel van een straatsofa.

In muziekvideo’s van hiphop en R&B sterren staan vaak groepen mensen op straat, al dan niet als muzikant of danser. Vaak gewoon als (fictieve) buurtgenoot. Iedereen kijkt pal in de camera en deint mee op de beat. En soms, zoals in een clip met Jennifer Lopez die in bikini zit te zonnebaden midden op straat in de Bronx, staan er meubelen op straat, waarop de artiesten hun lied ten beste geven. Een enkele keer komt er een straatsofa voorbij. Gestileerd, gekozen door een conscientieuze art-director. Zo’n straatsofa geeft geen verbinding met de wreedheid en melancholie van het leven in achterbuurten, maar is een element van een commerciele fictie. De ghettostyle , die via de muziekvideo’s, de mode, de advertenties voor drank, snoep, kledingmerken, Hollywoodfilms, de sport en talloze televisieprogramma’s en bladen populair is geworden juist bij de blanke middenklasse die leeft in rustige, goedbewaakte, welgestelde wijken.
Wat staat een straatsofa in zo’n situatie te doen? Wat is het aandeel van de straatsofa in die scene die draait om het poseren van de vereiste ‘style’ en ‘cool’? Het antwoord begint bij de vaststelling dat een zo gebruikte straatsofa een uitdagend gebaar maakt. Het viert een mentaliteit van verzet. Het is niet moeilijk om er een rebels embleem in te zien. Een teken van anti-burgerlijk leven, van het leven op straat. Een leven van poses, waarin niet gewerkt wordt en de regels van goede smaak, fatsoen en zelfs de wet lijken te zijn opgeheven. Er wordt een bepaalde beleving van vrijheid gevierd.

Als personage in een hiphopvideo is een straatsofa trots en triomfantelijk, een zelfbewuste uiting van een ghetto-cultuur, die zichzelf niet wil zien als een wereld van verlies, tekort, verdriet en verwaarlozing. Maar eerder als een luilekkerland-versie van de harde realiteit. Een rauwe, brutale vorm van gelukkig leven. Kijk, zo doen wij dat, zo zijn wij een gemeenschap. We maken een openbare huiskamer van onze straten en bezetten die met onze manier van leven. Er mag veel mis gaan hier, we hebben onze eigen vormen van vrijheid, geluk en waardigheid. Vanaf de straatsofa wordt het slachtofferperspectief overschreeuwd. Tegenover de wereld van het recht, de overheid en het burgerschap, staat die van de buurtgemeenschap, de bende, de kerk. Wel wrang dat de inzet van alle rebelsheid uiteindelijk meestal het bereiken van de status van grootverbruiker van luxegoederen is, maar goed.

In de gebeurtenis die een straatsofa is spelen dus ook politieke elementen mee. Een sofa is het embleem bij uitstek voor huiselijkheid, comfort, braafheid, gezapigheid, erotiek, laten we zeggen het burgerlijk geluk. Rond een sofa die op straat gezet is zwermen al snel de preciese tegendelen van die associaties. Bij een straatsofa botsen het gezellige en het asociale, het geregelde en het verwaarloosde, het erotische en het gewelddadige, het zorgzaam-huiselijke en het onverschillige, het brave en het criminele, het gezapige en het revolutionaire, geluk en verlorenheid, het burgerlijke en het anti-burgerlijke. In het sleepnet dat het internet voor me bevist, trof ik een artikel aan van ene Tooker Gomberg. Hij beschrijft op een sympathiek ironische manier hoe een straatsofa een onweerstaanbare invloed uitoefende op het getij van zijn politieke gevoelens. Met wat anti-globalistische geestverwanten zat hij in een café, waar de verzuchting cirkuleerde, ‘dat ze weer eens wat vaker gearresteerd moesten worden’. De wereld was er te slecht aan toe en er de plicht riep. Gomberg wist dat het belachelijk klonk, maar bedacht ook dat demonstratieve acties soms een voorbeeldfunctie hebben en dat publiciteit voor een bepaalde zaak ook goed is. Meteen de volgende dag ging hij met zijn vriendin op een sofa zitten die in het centrum van Montreal op straat stond. Op een drukke boulevard zetten ze het meubel van de stoep op het asfalt en gingen er op zitten. De zon scheen, de trottoirs waren vol slenterende mensen en het verkeer zoefde of kroop voorbij. Gomberg en zijn vriendin zaten geanimeerd met passanten te praten toen de politie arriveerde. Het onvermijdelijke stukje straattheater dat naar Gombergs zeggen volgde leidde tot zijn aanhouding. De man die zei alleen maar een klein stukje asfalt te willen bevrijden werd geboeid afgevoerd en veroordeeld tot een boete van vierhonderd Canadese dollars. Zijn advocaat zei dat Gomberg misschien een lijstje moest maken van de belangrijkste kwesties waar hij zich als activist voor in wilde zetten.

Een stukje straat bevrijden. Een mallotig, maar ook weer poëtisch idee. Een straatsofa kan je op het idee brengen en meteen het instrument zijn om dat te doen. Behalve iets melancholieks en een zweem van verloedering is er rond een straatsofa ook dit utopische element te bespeuren. De scheiding tussen openbaar en privé is een steunpilaar van de burgerlijke levenswijze en wie de maatschappij te hierarchisch, te stijf, te repressief, te eenvormig vindt, zal geneigd zijn te denken dat er iets van bewustwording of zelfs vrijheid ontstaat als men een mini-enclave van positief misplaatst gedrag in de openbaarheid sticht. Zeker is dat het op straat tentoonspreiden van gedrag dat normaal alleen binnenskamers en onder familie en intimi plaatsvindt enorme woede, angst, ergernis en ophef kan veroorzaken. En plaatsvervangende schaamte.

Daarbij moet ik sterk aan hippies en utopische activisten denken. Aan krakers en autonomen. In die houding ten opzichte van de straat speelt het idee mee, dat verandering en vrijheid niet te bereiken zijn via politieke instituties, maar alleen direct, in de dagelijkse praktijk. En inspiratie voor manieren de vrijheid te veroveren zijn eerder te vinden aan de rafelranden van het leven, waar afval, verwaarlozing, gekken, zwervers, verwarring en chaos heersen. In die gedachtengang is vrijheid nooit normaal, altijd delinquent. Dat is een opvatting waar ik gevoelig voor ben; het suggereert een manier van kijken die vervuld is van ongeloof naar de vanzelfsprekendheden waarin we leven.

Begrijp me goed, van de openbaringen die gekken, zwervers, marginalen en straatarmen te bieden hebben, heb ik nooit verwacht dat ze een heilstaat dichterbij brachten of bijdroegen aan het opkweken van een nieuwe, betere mens. Heilstaten en nieuwe mensen bezorgen me koude rillingen. En hoe gevoelig ik ook ben voor de ongelovige blik, die de wereld onder het oogpunt van het mogelijke bekijkt, het neemt niet weg dat ik het belachelijke en al snel treurige inzie van de antiburgerlijke romantiek.

Het leven in normaliteit, comfort, geluk en redelijkheid is niet voor niks zo populair. Het is heerlijk, het voelt aan als exact dat wat een mens nodig heeft. Zoals de wereld bedoeld is. En ik heb de zegeningen van die bedoeling aan den lijve ervaren. Ik ben in veel opzichten vol overtuiging een burger. Maar tegelijkertijd weet ik dat ik een roes bewoon en bedwelmd ben door een sterke illusie. De onrust, de onvrede, de nieuwsgierigheid die me gevoelig maken voor straatsofa’s gaan nooit meer over. Ik heb een goed leven, in een rijk en vredig deel van de wereld; een stuikje dat misschien zelfs de minst vreselijke aller werelden is, maar ik bewoon een leugen. De wereld is niet zoals hij eruit ziet vanuit de gewoontes en vanzelfsprekendheden van het leven dat ik er leid.

Ergens opzij van de primitieve drie-sprong tussen pessimisme, optimisme en cynisme ligt een wandelpad dat ik tragisch enthousiasme noem. Op dat pad staan straatsofa’s. Ze markeren de punten waar tegenstrijdige waarheden elkaar ontmoeten. Het utopische en het burgerlijke steken de tong uit tegen elkaar. Ze doen allebei alsof ze noodzakelijk zijn en ontmaskeren elkaar als illusie.

De wereld van de mensen zoals hij bedoeld is, is die van het gezonde verstand, de algemeen erkende redelijkheid van de wet, het alledaagse geluk en de vertrouwdheid van gewoontes, tradities en gemeenplaatsen. Die wereld hapert ter hoogte van de straatsofa. In de gebeurtenis die een straatsofa is brokkelt het houvast af. De wereld wordt op slag bekeken vanaf het standpunt van het afval. Het gezonde verstand gaat twijfelen. De wet heeft geen ijzeren greep meer. Zelfs het nut en het profijt verliezen hun vanzelfsprekendheid. En in de gewoontes en tradities sluipt ineens verwarring rond. Rondom straatsofa’s spelen intieme en openbare verhalen al gauw door elkaar. Het particuliere en het mythische trekken elkaars kleren aan. Herkenning en verwondering verschuilen zich achter elkaar. De feiten worden er literair. Als ik iets van de wereld begrijp, dan zo.

(Dit is het titel-essay uit het boek Straatsofa, dat in 2005 verscheen bij Augustus. Het was in 2007 genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs.)

No Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL

Leave a comment

Powered by WordPress