Roken verboden

hayworth-11.jpg

De eerste Europese roker is bij naam en toenaam bekend: Rodrigo de Jerez. Hij was een expeditiegenoot van Christoffel Columbus die in 1493 terugkeerde naar zijn geboorteland Spanje en daar bij aankomst een mooie Havana opstak. Om de feestelijke thuiskomst te vieren, maar ook uit enthousiasme. Hij wilde zijn landgenoten bekend maken met de geneugten van een goede sigaar. De reactie was heel anders dan hij had gehoopt. De omstanders toonden geen verwondering of belangstelling. Men schrok zich wezenloos, vermoedde hekserij en sleepte Rodrigo voor de kerkelijke rechtbank, oftewel de Inquisitie. Was het een christen toegestaan iets te doen waardoor hij eruit zag als een wilde, of nee, als een demon uit het rijk van Satan, stinkend naar brandende kruiden, blazend en rokend als de onderwereld zelf?!

Het antwoord van de rechters was een ondubbelzinnig nee, met als gevolg dat Rodrigo drie jaar in een kerker zat. Niet lang daarna verklaarde de paus het roken tot een doodzonde en dreigde alle rokers te excommuniceren. Ook de geestelijk leiders in de islamitische wereld veroordeelden het roken van tabak als een onmenselijke daad, een gruwel in Allahs ogen en streng verboden op straffe van geseling. En totdat prinsen en koningen ontdekten hoeveel er te verdienen was aan tabaksaccijns en de verbouw en verkoop van tabak vaardigden ze decreten uit waarin stond dat tabak roken zedenverwilderend, heidens, vies en ongezond was en dat de gebruikers lijfstraffen en verbanning verdienden.

Hierbij vergeleken zijn de hedendaagse wettelijke bepalingen voor het terugdringen van roken in de openbare ruimte mild. Maar we weten ook dat van die oude, voortvarende anti-tabaks maatregelen weinig terecht is gekomen. Vijf eeuwen lang is er in toenemende mate op los gepaft, gesnoven en gepruimd. Religieuze en morele bezwaren maken weinig indruk als zinnelijk genot en geldelijk gewin de handen ineen slaan.

Veel effectiever is de hedendaagse aanpak: wetenschappelijk aantonen dat roken de gezondheid van roker en omstanders schaadt, ja dat het hun voortijdige dood aan akelige ziektes veroorzaakt. Iedereen slaat de schrik om het hart. Vervolgens verklaart de wetgever dat het bewaken van de volksgezondheid niet alleen een politieke plicht is, maar ook een economische noodzaak. Zieken en stervenden kosten namelijk buitensporig veel geld. En dat soort geld is er nooit genoeg. Nu brengen rokers via de accijnzen wel flink wat belastinggeld in het laatje, maar het is toch prettiger en voordeliger dat ze langer leven en op die manier langer belasting betalen. De tabaksindustrie hoeft er niet eens onder te lijden, aangezien men in Azïe en Afrika een exponentieel groeiende rooklust ontwikkelt. Zoiets heet in ondernemers-dialect: een gigantische uitdaging.

Alles bij elkaar een waterdichte redenering die er inmiddels toe heeft geleid dat roken in de overdekte openbare ruimte wettelijk verboden is. Ook op het werk mag niet meer gerookt worden. Zelfs uit de domeinen waar het roken van oudsher ontstond en bloeide, de café’s, nachtclubs, restaurants en schouwburgen zal het roken moeten verdwijnen. Waar eerst kleine hoekjes voor niet-rokers waren, verschijnen nu hokjes, kamertjes en keten waar rokers hun beschamende, ziekelijke en vieze verslaving kunnen onderhouden. Niet omdat werkgevers of de overheid daartoe verplicht zijn, overigens. Maar eerder om de overgang naar een definitief rookvrije openbaarheid te verzachten. Waar men die consideratie niet heeft staan de rokers op straat. Kleumend, wat verweesd om zich heen kijkend als flits-daklozen.

Zodra je over rookruimtes in hedendaagse gebouwen begint na te denken komen de rooksalons uit vervlogen dagen in herinnering. Maar hoe verhouden ze zich tot elkaar? In rooksalons confereerden rijke en belangrijke heren onder het genot van port, cognac en Havana sigaren. Onderwijl bespraken ze avonturen, zaken, politiek en damesverhalen. In het land waar dit instituut in het laatste kwart van de 19e eeuw opkwam, Groot Brittannïe, was het een hangplek voor zelfgenoegzame heersers; waar de leeuwen luierden. Omdat men zich in de rooksalon ‘onder elkaar’ waande kon men zich er vrijer gedragen, bijna alsof men in de beslotenheid van de privésfeer was. De rooksalon was daarom de ideale netwerk-atmosfeer. Ook al werd er waarschijnlijk vooral onbenullig geroddeld en opgeschept, de rooksalon had glamour. Die was gebaseerd op het beeld van de machtigen, rijken en genialen van de wereld, die in die semi-publieke binnenste zone van de Hoge Kringen hun vriendschappen, bondgenootschappen, zakelijke projecten en samenzweringen onderhielden. Uiteraard in alle luxe, rust en onder het genot van het beste van het beste.

De hedendaagse rookruimte en de oude rooksalon zijn elkaars tegengestelde. De rooksalon berustte op het principe van uitverkiezing en op het verlangen te profiteren (zowel in termen van nut als van genot) van de maatschappelijke positie en rijkdom. Men vierde zijn sociale positie of spiegelde zich aan een rooskleurige voorstelling daarvan. De hedendaagse rookruimte berust op het principe van uitsluiting en de rigoreuze ontkenning van alle sociale of culturele attributen van de beoogde gebruikers. Het rookgedrag wordt uitgestoten en wie eraan vastzit wordt verbannen naar een gebiedje, waarin je alle andere sociale attributen verliest en niets anders kunt doen dan je tabak innemen, zoals een gemedicaliseerde heroineverslaafde zijn shotje zet in de gebruikersruimte.

In de rooksalon was de roker alles wat en wie hij was plus zijn consumptie, zijn cultus van de beste tabak. In de rookruimte is hij niets of niemand anders dan een tabaksgebruiker, een verslaafde, een gemankeerde. De rooksalon was een vrijetijds-instituut van de society. De rookruimte is de afwerkplek voor a-sociaal gedrag. In de rooksalon was de tabak een ritueel genoten statussymbool. In de rookruimte is het een vergif, dat met zijn beklagenswaardige gebruikers geïsoleerd moet worden. De rooksalons waren voor de happy few. De rookruimtes voor de partïele pariahs, de burgers met de rokerssmet op hun blazoen.

Laten we eens kijken naar verschillende rookruimtes die overheden en bedrijven hebben ingericht. Dankzij de foto-expedities van Pieter Boersma is een goed overzicht te krijgen. We beginnen in Sassenheim. Voor het personeel van het verzorgingstehuis Sint Bernardus staat buiten een witgeschilderde zeecontainer waar een zijwand is uitgezaagd. Om de wind een beetje buiten te houden staat er een perspex scherm, dat aan een bushalte op een Friese zeedijk doet denken. Voor de rokers zijn wit-plastic tuinmeubeltjes neergezet.

Je zou het default-design kunnen noemen. Het besluit om de eerste de beste vorm te kiezen die de functie vervult. Iemand had gehoord van een overgeschoten container. Iemand met familie bij openbare werken regelde het windscherm en de concierge vond tuinmeubelen. Alles is er: de verbanning, de reductie tot zichzelf vergiftigend lichaam, de onthouding van iedere gebruikelijke vorm van comfort: posters, planten, radio, koffie. De aangepaste container voldoet goed aan zijn functie als rookruimte, omdat hij optimaal vernederend en ontmoedigend werkt.

Schitterend in zijn bureaucratische en meetkundige regelmatigheid is de oplossing van de Belastingdienst in Amsterdam. Op iedere verdieping van hun kantoorkolos is de middelste kamer een rookruimte. Een kamer met kale muren, een minimaal lampje boven een rechte kantinetafel met vier bijpassende stoelen. Het ziet eruit als een verhoorruimte in een politiebureau. Het ideale decor voor slecht nieuws, toonloze bekentenissen en oprecht berouw. Roken in deze kamers leidt waarschijnlijk spontaan tot het overdenken van je zonden, waaronder het roken zelf.

Een gestroomlijnde versie van hetzelfde zijn de rookstations in het nieuwe Ministerie van Economische zaken in Den Haag. In de Centre Courts zijn hoge krulvormige schermen opgesteld van gefineerd plaatmateriaal. In die paar vierkante meter afgeschermde ruimte staan stoelen op hoge poten en lage rugleuningen, zoals die we normaal bij een bar aantreffen. Weer valt de volledige afsluiting van de omgeving op. Die ongemakkelijke hoge stoelen zijn functioneel: de rookhandeling moet zo kort mogelijk duren. Roken drukt de arbeidsproductiviteit. Dus: geen decoratie, geen leuk uitzicht, geen comfortabele meubelen, geen planten, geen muziek. Deze rookruimte is duidelijk geïnspireerd op de doorgangsbarretjes op grote vliegvelden. De verlorenheid die de reiziger voelt maakt dat hij kort blijft. In het Duits heet een rookruimte een Raucherinsel. Een plek van verlorenheid die haast opwekt naar de bewoonde wereld terug te keren.

Het is in het bankwezen dat de fotograaf Boersma de ultieme rookruimte aantrof. In het hoofdkantoor van de ABN Amro bank staan op iedere verdieping glazen cabines, die officieel clear air smoking rooms heten. De cabines zijn helemaal doorzichtig, waardoor ze op een telefooncel of een bushokje lijken. In de plafonds zitten krachtige afzuigkappen. Er passen net vier rokers in die zich dan scharen rondom een grote asbak die uit de wand steekt. Het ding heeft de vorm van een toiletbril. Een associatie die wordt versterkt door wat afstand van de cabine te nemen, wanneer er rokers in zitten. Het centraal geplaatste en publiekelijk zichtbare isolement zet de rokers te kijk. Hun houding op de stoeltjes in de cabine en de onmogelijkheid iets anders te doen dan roken maakt van het verblijf in de rookcabine iets schaamtevols, alsof je in het centrale atrium van het kantoorgebouw op de wc-pot zit. De clear air smoking room is het voorlopige toppunt in de ontwikkeling van de rookruimte als straf- en ontmoedigingsinstrument. Van het fragiele en efficiente bouwsel gaat een krachtige en duidelijke boodschap uit. Bovendien is het flexibel en slim ingepast in het gebouw.

Er bestaan ook rookruimtes, die niet bedoeld lijken de straf en ontmoedigignsfunctie te optimaliseren. Ik trof in de resultaten van Boersma’s expedities twee uiteenlopende voorbeelden aan. De eerste is de rookruimte in een klassiek links intellektueel bolwerk, het Institute for Social Studies in Amsterdam. Hier is de voormalige kopïeerruimte ingericht als rookruimte. Het eerste dat opvalt is de maat. Royaal, met veel licht en veel zitplaatsen. Waaruit je kunt afleiden dat er relatief veel mensen roken in het ISS. Het tweede dat opvalt is de poging tot veraangenaming van de ruimte. Er zijn boekenkastjes, luie stoelen en vingerplanten. Het zou niet verbazen als er een radio of een cd-speler te vinden was. Al met al roept de rookruimte van het ISS, met zijn samengeraapte meubilair de gemeenschapsruimtes van studentenhuizen in herinnering. Je kunt het een nostalgische rookruimte noemen, waarin roken nog een probleemloos onderdeel uitmaakt van het openbare leven.

Een andere rookruimte die de functie van straf en ontmoediging negeert is te vinden in het gebouw van de Dienst Landelijk Gebied in Assen. Tegen het plafond van de kantine hangt een grenenhouten hut. Al heeft hij rondom glazen ramen in witte sponningen, je herkent er meteen de jongensboomhut in. Je moet ook met een wenteltrap naar boven. Daar staan lage tafeltjes, wat planten en rode kuipstoeltjes. De muren zijn knus bordeelrood en je kunt je voorstellen dat de rokers (op de foto’s is onder andere een gemoedelijke pijproker te zien) zich hier verre van uitgebannen voelen, maar eerder verwend, vergeleken met de niet-rokende collega’s die hun lunch nuttigen aan steriele rijen witte tafels en op chromen stoelen. De Assense rookhut is een vriendelijke, maar belachelijke omgeving. Een valide rookruimte, die tegelijkertijd iets van een parodie heeft. Het is een vrolijke oplossing voor de verbanning van de roker.

De laatste twee rookruimtes, die in het ISS en de Dienst Landelijk Gebied verwijzen naar datgene wat de vooruitgang, besloten in het rookvrij maken van openbare ruimtes, zal vernietigen. Wat is dat? Bijna een eeuw lang, maar het sterkst in de jaren veertig, vijftig en zestig, was het roken van sigaretten een uitbreiding van het repertoire van sociale poses dat het menselijk lichaam ter beschikking had. Het was een complex van gebaren, een reeks voorspelbare handelingen die een eigen logica en ritmiek hadden. Ze leken op zichzelf betrokken, maar leenden zich heel goed voor het seinen van sociale en psychologische betekenissen. Roken is een gedrags-accessoire, een zelfbeeld-versterker en als fysiek ritueel een onmiskenbaar erotisch attribuut.

damerookt-kopie.jpg

Het is een moderne, stadse vorm van sjamanisme: je steekt een staafje geparfumeerde in papier gerolde tabak in de brand, en gebaart ermee zodat de rook kringen, slierten, wolken vormt, tekeningen die iets vluchtigs en lichamelijks tegelijk hebben. Er is vuur en hitte, maar er is ook de koelte van de routine, het gedachteloze gebaar. Het is een nutteloos ritueel, dat toch overduidelijk genot brengt en iemands lichamelijkheid zichtbaarder maakt en uitvergroot. De handen die naar de mond gaan, (zoals bij eten en drinken), het zuigen en inademen, de rook die diep in het lichaam van de ander dringt en door neus en mond naar buiten treedt en dat wat binnen was zo zichtbaar en theatraal met de wereld deelt. Het is een opeenvolging van gebaren, die allerlei mythische en psychosexuele betekenissen oproepen, ook al gebeurt dat meestal onbewust.

Niet alleen bij elegante dames en mooie, hippe meiden heeft roken een erotische kracht. Denk aan de arbeider uit de machinefabriek, die met zijn benen wijd in korte broek op een campingstoel zit, de bierbuik vooruit, de getatoueerde borst ontbloot, flesje bier paraat. Hij draait een zwaar shaggie en steekt het op. Zijn handen, zijn hoofd, zijn mond, zijn hele bovenlijf en armen spreken een volstrekt ander lichaamstaal-dialect dan de dame. Maar net als bij haar is bij hem het roken een uitbreiding van de lichaamstaal en onlosmakelijk verbonden met de erotische aspecten daarvan. Hij projecteert met zijn rokersgebaren zijn zelfbeeld als mannetjesdier op zijn zichtbare gedrag. In de manier waarop hij rookt vertelt hij over zijn humeur, zijn agressie, zijn tederheid, zijn nonchalance, zijn genotzucht, zijn handigheid, zijn dromerigheid, zijn gerichtheid op anderen. Eventueel zijn verleidelijkheid. Net als de rokende elegante dame.

Roken als latent erotisch attribuut, als een sexy gewoonte is onmiskenbaar het product van de media. Het is onlosmakelijk verbonden met de opkomst in het begin van de twintigste eeuw van de publiciteit rondom theater, radio en filmsterren. De hen omringende society van rijken en machtigen en de reclames die van al die luxe, schoonheid en roem profiteerden. Roken hoorde bij het beeld van de wereldse stadsbewoner, die zelfbewust en individualistisch was, die vrij van onderdanigheid en schuldgevoelens geluk en genot nastreefde. Het is een beeld dat filmsterren oproept en alles wat aan hen begeerlijk is; hun schoonheid, hun gemak, hun avonturen, hun rijkdom en hun erotische vrijheid. En dat alles zat in hun make up, hun kleren, hun auto’s, hun drankjes en in hun sigarettenrokende verschijning.

Die associatie met zelfbewustzijn, de grote stad, elegantie en de afwezigheid van onderdanigheid en schuldgevoel, betekende automatisch dat roken voor vrouwen in het openbaar lang vulgair gevonden werd. Iets dat men met grofgebekte volksvrouwen en hoeren in verband bracht. Dit taboe-aspect werkte natuurlijk alleen maar erotiserend, als het bespeeld werd in een elegante stijl van roken.

Door de westerse wereld lopen mannen rond die gestopt zijn met roken, en wonen en werken en zelfs uitgaan in een rookvrij universum. En voor sommige van hen is het beeld van een aantrekkelijke jonge vrouw die een sigaret rookt een geheime erotische fantasie. Zo’n man zeilt over het internet naar fetish-sites en verlustigt zich bij foto’s van rokende jonge vrouwen in avondtoilet, galajurk of lingerie. Ze ontbloten hun borsten of geslachtsdelen niet eens, hun oogopslag, hun polsen, hun vingers, de lippen om het filter, de zich trots verheffende rookpluim, de suggestie van gave jeugd en verderf tegelijk, ze zijn meer dan genoeg; het duizelt hem. Hij stelt zich voor dat hij voor haar knielt op de bank waar ze zit en fluistert, terwijl hij de ogen sluit en de spanning in zijn onderbroek voelt oplopen: ‘blaas wat mijn kant op’. Overigens de exacte woorden van de niet rokende vrouwen in de eerste sigaretten-reclames uit de jaren twintig. Zij knielden bij het fauteuil waar hun verloofde zat te roken en prevelden dezelfde zin, met gesloten ogen.

Roken is een fetish geworden. Het staat op gespannen voet met wat normaal, redelijk, gezond, respectabel, succesvol gevonden wordt. Gevaarlijk en opwindend. Dat is roken en juist omdat roken zijn onschuld verloren heeft zal het zijn sexy connotaties niet snel verliezen. De erotische connotaties verhevigen er alleen maar door, ze worden sexueler, ze vermengen zich met geweld en misdaad.

Als je de rookruimtes ziet die overal verrijzen en de rokers op stoepen, balkons en parkeerterreinen ziet staan, dan lijkt het erop dat men ervan uitgaat dat het roken spoedig zal uitsterven. Roken zal een wereld op zichzelf worden, nu het uit de openbaarheid geweerd wordt. Roken wordt iets voor speciale reservaten, waar genot en gevaar expliciet aan elkaar gekoppeld worden. Erop speculerend dat de toekomst aan de Afrikaanse en Aziatische rokers is, die ook hier zullen verschijnen, ligt de bouw van Chinatowns en Afrikaanse danshallen voor rokers voor de hand. Architecten die zich bezighouden met rookruimtes, zouden verder moeten durven denken dan de schandblokken en kneuterige omgevingen die nu de rookruimte-architectuur domineren.