Dirk van Weelden

September 26, 2007

Het Middel hoofdstuk 1

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 7:21 pm

omslagbig.jpg

deel 1 Mutó

1 Ja zeggen
Aan het einde van de terugreis stond een blanke man in een opvallend,
cognackleurig pak, zijn jas ouderwets over de arm.

Samen met tien anderen die de overtocht zonder auto hadden
gemaakt, liep ik van het schip de passagiersterminal binnen. De
voetstappen galmden in de hoge betonnen kou. Zwijgend sjouwden
we alleen of in groepjes van twee met onze tassen en rugzakken
naar de uitgang. Ieder nam gedwee een deel van de grote
leegte in de hal voor zijn rekening. Vergane industriële glorie omringde
ons. Stalen spanten van honderd jaar oud, klinknagels,
stoffig vensterglas en vergeten richels waar duiven wegkropen in
hun veren. En wij stapten er rillend en kwetsbaar onderdoor. Zo
koud, zo leeg, zo moe was alles. Dit gebouw leek de schuilplaats
voor een uitstervende diersoort.

Zo was het niet altijd geweest. In hallen als deze verzamelden
zich eeuwenlang stoere massa’s werkers, soldaten en landverhuizers.
Met behulp van de machines, de schepen en de kanonnen
die ze in elkaar zetten veroverden ze continenten, roeiden ze
mensenrassen en diersoorten uit, legden ze wereldrijken in puin
en stichtten machtige nieuwe naties. Ze bouwden enorme bruggen,
produceerden kinderspeelgoed, tafellakens, conserven. De
vlaggen wapperden trots boven hun metropolen. Ze vervolmaakten
het stedelijke leven van de burgers en industrialiseerden het
platteland. Denk eens aan al die ziekenhuizen, bibliotheken, musea!
Aan de parlementen, universiteiten, gerechtsgebouwen en
winkelpromenades! De kazernes, scholen, gevangenissen en de
volkswijken met hun danspaleizen! De havens en de mijnen, de
vuurtorens en de fabrieken! De concertzalen en laboratoria! Met
zulk industrieel elan, met zo’n enorme publieke grandeur die het
menselijk gezwoeg kon opleveren hadden wij niet veel meer uit
te staan. Zoals we daar schuifelden, met onze overbodige biologie,
onze zwakke, menugestuurde geesten, verwezen we er hooguit
naar, maar dan knullig, als in kreupele voetnoten. We liepen
de stedelijke zones tegemoet waar ons leven nog enig nut had,
oftewel waar we zouden consumeren, communiceren en produceren,
volgens hedendaagse conventies. We reisden door naar omgevingen
waar het comfortabel en behaaglijk was. Helden konden
we daar niet worden, maar onze veiligheid was er gewaarborgd.
Het was zes uur in de ochtend, en toch zag de man er zelfs onder
de tl-verlichting fris en gezond uit. Hij keek zoekend om zich heen
in de leegte van de hal. Zijn onschuldige glimlach was het signaal
dat hij me zag, maar nog niet wilde zien. Toen opeens de scherpe,
doelgerichte beweging. Met een klein pasje in mijn richting en
door beleefd, maar doortastend oogcontact, richtte hij zich tot
mij. Een zakelijke, onontkoombare confrontatie. Toen een lauwe,
droge hand. Doorschijnend grijsblauwe ogen, aquariumwater.

‘Een goede morgen. Ik ben Stef Kracht, inspecteur van politie.
Bent u Victor Tamboeli?’
Met stijl (er kwam een onweerstaanbare gedachte op aan oude
Franse politiefilms) produceerde hij uit de binnenzak van zijn jasje
zijn identiteitspapieren en het arrestatiebevel. Ik keek er wezenloos
naar en knikte. Het was goed. Allemaal in orde. De stempels
van het gezag. Ik vond het sympathiek, dat slome theater. De
orde van wet en welvaart. Het regime van comfort, surveillance
en hygi‘ne. Ze heetten me welkom.

Blijkbaar had ik me groot gehouden. Dodelijke vermoeidheid
steeg op vanuit mijn onderbenen. Staan ging niet meer, geen voeten,
geen knie‘n. Ik plofte neer op mijn legergroene plunjezak.
Met het hoofd in beide handen keek ik even grijnzend omhoog,
verontschuldigend, denk ik, naar de witblonde inspecteur. Ik was
nu volledig teruggekeerd uit een ander universum. Uit zijn nadrukkelijk
onaangedane gezicht kon ik opmaken hoe haveloos
en verwilderd ik eruitzag. Met bolle wangen blies ik mijn adem
uit. Welkom.

Het eerste woord dat me te binnen schiet voor deze cel in het huis
van bewaring is ‘veilig’. Het tweede woord is ‘schoon’ en het derde
‘rustig’. Na mijn apocalyptische aftocht, of beter: vlucht, uit
W., omhelst dit staatsgebouw me als een koesterende moeder. Er
mogen dan tralies voor de ramen zitten, ik mag dan binnenkort
in staat van beschuldiging worden gesteld, voorlopig kan ik hier
goed slapen. Ik ben warm en droog. Ik krijg op tijd en redelijk te
eten. Ik word niet geslagen. Er wordt zelfs niet tegen me geschreeuwd
en ik kan lezen en schrijven, sporten, televisie kijken
en telefoneren. De aanklacht is nog niet rond, nog lang geen uitgemaakte
zaak. Over de vraag of ik schuld heb aan de dood van
Pierre en Jorge en de twee kinderen, valt te twisten. Nee, nog
mooier, zelfs als ik volgens de rechters schuld heb aan die tragische
gebeurtenissen, dan nog valt erover te praten. Eigenlijk valt
over alles te praten. Ik kan mijn verhaal doen, ik heb mijn rechten
en die zullen meetellen. Ik mag volledig berooid zijn, dat
betekent niet dat ik op voorhand kansloos ben tegenover het ministerie
van Justitie. De zakelijkheid van de wereld waarin ik
terechtgekomen ben is, vergeleken bij geweld, wreedheid en ontbering,
een vorm van bescherming. Redelijkheid als warmte. Dat
waardeer ik, juist omdat ik een gevangene ben, een verdachte.
Maar ook omdat ik nogal verdwaald ben, misschien zelfs verloren.
Iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats, zonder bron van
inkomsten. Iemand zonder geld, connecties of waardevolle gegevens.
Iemand zonder toegang tot de media. Iemand zonder levenspartner.
Zonder kinderen. Een man zonder leven.

Een uitzicht heb ik wel. Buiten jaagt een harde noordooster
over witte, stoppelige velden. Stuifsneeuw sliert over de rode dakpannen
van de daken van de woonwijk in de verte. De hemel is
loodgrijs, een wereldomspannende bron van ijzig water. Kraaien
schuilen onder het leistenen dak van de uivormige klokkentoren.
Het land ziet eruit alsof alle leven er is uitgesteld, als een begraafplaats.
Wachtend op nieuwe eindes. Hier en daar rijdt een wagen
behoedzaam door het spookachtige landschap. Het is een moeizame
beweging die niet verder lijkt te kunnen komen dan een paar
kilometer. Terwijl ik ernaar kijk heb ik moeite te geloven dat de
wegen die hier liggen ook werkelijk toegang tot de verte geven.
Kun je hiervandaan naar de grote havenstad waar ik een jaar geleden
nog woonde? Of naar de metropool op de vijf heuvels, vijfhonderd
kilometer hiervandaan, waar ik ben geboren? Of naar
de stoffige stad in het diepe zuiden, waar mijn vader werd geboren,
omringd door een taal die ik niet spreek? Zo ziet het er hierbuiten
niet uit. En waar zou ik heen moeten?

Hier is mijn linkerhand. De pink eraan ontbreekt. Anderhalf jaar
geleden, toen ik nog in de havenstad woonde, had ik vijf vingers
aan die hand. Waaronder een kerngezonde, prima pink. Nu spant
de rozige, schilferige huid over een knokkel die in het niets eindigt.
Aan mijn rechtervoet ontbreekt een teen. En als ik mijn
stugge, zwarte krullen opzij doe, blijkt mijn rechteroorschelp,
die me ruim dertig jaar trouw gediend heeft, te zijn verdwenen.
Er is alleen een klein opstaand randje van over, dat aan de onderkant
staat van een gat in mijn schedel. Een brutaal lipje. Ik begrijp
dat niemand daar graag naar kijkt, daarom hang ik mijn
haar eroverheen. In de spiegel vind ik het zelf ook een griezelig
gezicht. Dat donkere gat maakt opeens duidelijk dat we het gehoor
ten onrechte associ‘ren met die carnavaleske, zachte vleeskrul.
Met de camouflage. Met de schotelantenne. Maar het zintuig
zelf zit ergens achter in die gehoorgang verscholen en doet onzichtbaar
zijn werk.

Als ik mijn haar opzij houd ziet de zijkant van mijn hoofd
er naakt uit. Het gat doet obsceen aan. Wie er-
naar kijkt voelt de neiging het hoofd af te wenden. Uit schrik of
om mij schaamte te besparen. Terwijl massa’s mensen reden genoeg
hebben zich te schamen voor hun potsierlijke oorschelpen.
Zelfs als je daarvan overtuigd bent is het niet makkelijk een ongecamoufleerd
oorgat te bekijken zonder huiver. Ik vermoed omdat
het loert. Nee, het is nog verontrustender dan loeren. Kijken
kun je zien, luisteren kun je niet zien en niet horen. Om die reden
valt er meer duisternis te horen dan te zien.

‘Het is nogal een fantastisch verhaal. Een technisch hoogontwikkelde
sekte van utopisten die extremistische plannen uitbroedden.
Dat zijn allemaal uw kwalificaties. Wij weten alleen van de
verdenking van doodslag, tegen u. In een congresoord voor internationale
zakenlieden op het land. Een bloedbad met negentien
doden, waaronder twee kinderen. Wat u daar deed is onduidelijk,
zelf bent u geen zakenman. Eerder werkloos en, laat ik het netjes
zeggen, volkomen onbemiddeld. Een schooier met een buitenlandse
achternaam, kun je ook zeggen. Een Arabische achternaam.
Dat helpt ook niet, dat is evident.’Hij sprak het op z’n Frans uit.

Stef Kracht vond de broodkruimel waarnaar ik al een tijdje zat
te kijken en veegde hem uit zijn mondhoek. Hij deed het rustig
en onopvallend, in overeenstemming met zijn beheerste pose
(voorbeeldig rechte rug, bedachtzame en rustige handgebaren) en
zijn smetteloze pak. Hij had de flair van de dorpsdandy.
Zijn woorden schilderden met voorspelbare gemeenplaatsen de
onbestemdheid van mijn situatie. Ik liet een ruime stilte vallen,
waarin ik langzaam en instemmend knikte. Hij moest niet denken
dat ik geen begrip had voor het ongeloof waar mijn verhaal
op stuitte. Ondertussen werd ik razend nieuwsgierig naar mevrouw
Kracht. Ik wist dat ze bestond, de ring aan zijn hand verwees
naar iemand van wier bestaan hij een keer terloops melding
had gemaakt. Zij was de expert die haarfijn kon aangeven hoe
Stefs professionele slimheid, zijn speurdersinstinct verweven was
met zijn jongensachtige onbevangenheid, want die was er ook.
Had ik meteen gezien en op waarde geschat.

Er is een opvallende glans in zijn wat bolle ogen, niet week,
maar open. Stefs levensgevoel lijkt totaal onbeschadigd door bitterheid
of slijtage. Hij is jonger dan ik. In alle opzichten een jonge
ziel. En dan die glimlach. Frequent, voor een politieman zeker.
Om de paar minuten brengt hij er een voort terwijl hij met me
praat, maar nooit wordt hij mechanisch of routineus. En achter
die glimlach schuilt dat wat me hoop geeft: Stef Krachts vermogen
tot geestdrift. Mijn redding kon er wel eens van afhangen dat
ik erin slaag een oprecht en storingsvrij contact te leggen met
zijn vermogen, nee, zijn verlangen om Ja te zeggen. Zonder angst,
zonder bezwaren, zonder berekening Ja zeggen. Tegen wat of wie?
Tegen wat dan ook. Tegen mensen, dieren, denkbeelden, muziek,
regen, pijn, gerechten, verwarring. Ik zal alleen dwangarbeid,
verbanning of de doodstraf kunnen ontlopen als ik ervoor weet
te zorgen dat Stef Kracht mijn lot in verband brengt met zijn eigen,
oneindig waardevolle vermogen om tegen iets of iemand op
de wereld ja te zeggen en mee te gaan, zich te laten verrassen,
verbazen, verleiden, veranderen. Makkelijk is dat niet. Het is eenvoudiger
iemand op te lichten of seksueel te verleiden.

Toch kan het. Ik moet er zo deskundig in worden als mevrouw
Kracht of als een oude schoolvriend om er gebruik van te kunnen
maken. Als ik er maar in slaag hem het noodzakelijke Ja! in mijn
verhaal te laten omarmen. Als hij mij ziet als iemand die uit wanhoop
en levenslust Ja heeft gezegd tegen iets wat onmogelijk en
noodzakelijk tegelijk was, dan kan dat beeld zich verspreiden en
mij redden. Niemand weet hoeveel tijd er is.

Hoop was er tenminste nog toen Kracht oprecht nieuwsgierig
vroeg: ‘Tamboeli, zeg mij eens, wat deed je in vredesnaam in een
utopische sekte daar in dat verloren dorp in het oosten? Hoe
komt een verstandig mens daar terecht?’ In zijn stem was nauwelijks
beroepsmatige routine te horen.

Ik zei: ‘Ik had geen keus,’ en hoewel het voelde alsof ik de waarheid
sprak wist ik dat dat onzin was.

No Comments »

No comments yet.

RSS feed for comments on this post. TrackBack URL

Leave a comment

Powered by WordPress