Dirk van Weelden

December 9, 2007

Epistrophy en Valentin Brû

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 12:54 am

Als Valentin Brû ergens mee in zijn maag zit dan is het wel dattie bestaat. Waar is dat goed voor? En wat moet je doen als je een keer bestaat? Geen flauw benul. Maar Valentin is de beroerdste niet. Hij is een goedmoedige en opgewekte kerel. Niet al te ambitieus. Of eigenlijk zo passief as de pest, maar wel iemand die de dagelijkse gang van zaken en de noodzaken des levens behoorlijk sportief opvat. Nou en of. Gek op vegen en bezemen (daarbij kun je heerlijk wegdromen en alles wegvegen waaraan je denkt) lekker eten, een film op zijn tijd en veel tijdschriften lezen. Bij voorkeur Marie Claire. Al was het maar om goed op de hoogte te zijn van wat er onder de mensen leeft.

De mensen die de klanten zijn van zijn lijstemakerij, of zijn praktijk als waarzegster, want hij blijkt een gave te hebben als kaartlegster, verkleed als Madame Saphir. Een man kortom, die het leven bekijkt en leeft alsof het eeuwig zondag is. Valentin is dan ook de hoofdpersoon van Raymond Queneau’s roman La dimanche de la vie (De zondag des levens), uit 1952.

Valentin beweegt zich aan gene zijde van de onderscheiding tussen dom en intelligent, tussen plat en verheven, tussen naief en cynisch. Op het eind van het boek piekeren de mensen in zijn omgeving of hij een heilige is, of een asceet, of dat hij helderziend is. Samengevat: ‘wat een kerel…’

De zondag des levens van Queneau klinkt als Epistrophy van Thelonius Monk. De tientallen versies van dat nummer gedragen zich net als het proza in dit boek: het springt, grillig, maar met een drang en logica die onweerlegbaar is. Er lijkt veel weggelaten en overgeslagen, zodat het lijkt alsof het publiek gedold wordt. Is dit te volgen of wordt iedereen die het probeert te volgen het bos in gestuurd?

Nee, want Valentin en de piano van Monk leggen weliswaar niets uit en al helemaal niets bloot aan de wereld, het leven of de mens, ze schetsen met hun schotse, scheve sprongen wel een nieuwe wereld. Een zondagse versie van de wereld, waarin kinderlijke kermis-verwondering en een verpletterend honds, bijkans nihilistisch inzicht in het mensengedoe hand in hand gaan. Zachtmoedig en volstrekt compromisloos. Zoals de melodie van Epistrophy uit losse, wegijlende lijnen bestaat, blij en verdwaald klimmend in de drukke stad; zo opgetogen en overtuigd van de totale ondergang van de wereld dobbert Valentin in het Parijse winkeliersmilieu aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

De grondtoon van beide is: mij niet gezien, wegwezen. Niet door het banale menselijke gehannes te ontkennen. Dat is onmogelijk! En ook niet door je neer te leggen bij het platte escapisme dat ons geboden wordt. Dat zou je eer te na zijn en treurig stemmen bovendien. Nee, door al dat gehannes, die slappe vluchtpogingen om te toveren tot een feestje. Door het leven te verknippen, binnenstebuiten te keren, ermee te goochelen.

Kijk eens, alles wat onverdraaglijk was bloeit! Het is nog even grimmig en zwaar, maar het danst en maakt dat we kunnen glimlachen. Queneau’s roman en Monk’s Epistrophy wekken een vluchtig moment van vrijheid op; iets van onschatbare waarde.

December 8, 2007

Een lied

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 1:31 am

Laat ik het simpel houden. Dit is een lied van Chris Knight uit 2003. Muzikaal gesproken is het zo ongeveer klassieke Americana. Gitaar en zang. Een rustige finger picking style en een wat gruizelige stem zonder irritante country-versieringen.

Het lied vertelt over pachtboeren die tussen 1929 en 1941 verdreven werden van hun land omdat zand- en stofstormen hun bouwgrond en boerderijen begroeven. Oorzaak: overmatige ontginning van graslanden en bossen voor de landbouw en jarenlange droogte. Oklahoma, maar ook grote delen van Kansas, Arkansas en Texas veranderden in een zandwoestijn. Armoe, hongersnood, doden en epidemieen, volledige instorting van de landbouw. Tijdens die jarenlange ramp, The Dust Bowl genoemd, sloegen ongeveer een half miljoen mensen op de vlucht. Meestal richting Californië. De omstandigheden waar de vluchtelingen in terecht kwamen onderweg en in Californië waren bar en boos. De geschiedenis, de drama’s die bij deze natuurramp van menselijke makelij horen kun je lezen in The Grapes of Wrath van Steinbeck, en zien in de foto’s die Walker Evans van deze gebeurtenissen maakte.

Er zijn sinds de jaren dertig natuurlijk veel liederen gemaakt die dit typische arme mensen-leed bezingen. Meestal zijn ze niet te harden. Te klef patriottisch, of juist weer te plat links-politiek.

Het vaakst zijn het plastic aandoende smartlappen waarin kinderen sterven in de armen van hun moeder aan de rand van de weg. Een lied over dit onderwerp is goed als het oproepen van het leed niet gladgestreken wordt door de interpretaties achteraf. En de tekstdichter het sentiment in toom houdt.

In dit lied doet de tekst hetzelfde wat de muziek doet: tegelijkertijd een beeld van vertrek/beweging en een moment van stilstand oproepen. In het refrein hoor je de energie die hoort bij de aftocht en de hoop op iets beters. Maar in de coupletten klinkt een steeds terugkerend, in mineur gesteld loopje, dat stilstand en twijfel suggereert. In de tekst tref je haarscherpe beelden aan, die allemaal de rauwheid en onherroepelijkheid van de gebeurtenissen tekenen.

Het afscheid van een plek die al dood is: de put is met zand gevuld, het land onvruchtbaar. De reis gaat per gammele wagen, waarvan onzeker is of hij het redt. Kinderen schuilen tegen kou en zand bovenop de gestapelde meubelen onder een zeiltje. Hardened faces damn the dust and curse the wind. En onderweg wordt de vluchteling opgelicht en uitgescholden door fellow-Americans. Something’s telling me the promised land’s not as promising as it seems. Mooie naief-ironische zin.

De kracht van het lied zit h’m in die pijnlijke stilstand, de constatering dat de verteller en zijn familie ontheemd zijn, en geen plek, geen leven hebben. Maar die vaststelling vindt plaats onderweg, tijdens de reis naar Californië, waarvan beloofd is dat er werk en dus een nieuw leven is. De verteller is wantrouwig, maar toch ook geneigd te geloven in de zegeningen van het beloofde land.

Het punt dat de verbinding vormt tussen de verloren wereld en het nieuwe begin is onheilspellend, een beeld dat angst verraadt. In zijn dromen wordt hij achtervolgd door het beeld van een kapotte ploeg met bloed op het handvat.

Land verliezen is een ramp, maar niet onoverkomelijk. Vreselijk is het verlies van zijn ‘life’s blood’. Oftewel de primitieve kracht om tegen beter weten in optimistisch te zijn en hard te werken. De gave van het zelfbedrog. Broken Plow is een historische miniatuur, maar het geeft indringend beeld en geluid aan de bitterheid en de verlorenheid, die schuilen in het hart van het energieke Amerikaanse optimisme. Chris Knight zingt die regels (de richel waar het sentiment loert) zonder pathetisch rubato of vibrato. Juist droog en bijna achteloos, zo dat ze meer kunnen betekenen.

Chris Knight
Broken Plow
(van de CD The Jealous Kind, 2003)

Broken Plow

Load up the old Dodge truck
We’ll leave what we can’t sell
Cause who needs a sharecropper’s tools
Or a dust filled well.
Take you one last look around
And shed you one last tear
For the broken plow, the broken dreams
The life we’re leaving here

Pull the lines down tight
The kids can ride on top of the load
In the cool of the night
They can crawl underneath the tarp
to stay of the cold
Eleven hundred miles of mountains and sand
We’ll cross them tired and torn
If this beat up truck can carry us
Far enough away from the storm

(refr) We’re going to California there’s work there for a man
Too proud to beg for charity, too poor to make a stand
I pray it’s just the land we’re losing
Not my life’s blood that I leave
On the handles of that broken plow
That haunts me in my dreams

A man at a roadside station
Don’t like dealing with my kind
He’d beat me out of my last dollar
Never looked me in the eye
I heard him call us Okies
Hell, I don’t know what that means
But something tells me
The promised land ain’t as promising as it seems.

We’re going to California…

This restless road is full of strangers
They ain’t no stranger here than me
Hardened faces damn the dust and curse the wind
That drove us from this life and home
We’ll never see again

We’re going to California….
….
Not my life’s blood that I leave
On the handles of this broken plow
That haunts me in my dreams

November 6, 2007

Hier spreekt de literatuur

Filed under: Gelezen, Op straat, Uncategorized — Dirk van Weelden @ 12:11 am

‘In deze buurt met de hoge grijze huizen woonde voorheen de elite. Nog steeds worden de bewoners hier op grond van hun postcode beneden. Maar dat is inmiddels een lachwekkend misverstand, ook waar het mij betreft. De ware meesters en heren van de stad spreken andere talen en zetelen ver weg. Ze denken groter en sneller. Ze verspreiden hun wanen en belangen per magnetisch beeld. Mijn diensten hebben ze al een eeuw niet nodig. En dat is me aan te zien.

Als ik door de stad wandel met mijn honden verspreid ik een sterke geur. Die huist in mijn kleren en haren en hangt als een onwerkelijk groot lichaam om me heen. Tot aan het eind van de straat, tot aan de tweede verdieping, nog een kwartier na mijn passage is ze te ruiken. Oud, maar onweerstaanbaar is mijn aroma. Nekharen staan overeind, misselijkheid en kippenvel komen voor, woede en lachbuien. Ik heb een elektrisch snelle toegang tot het binnenste van hun hersenstam. Wie mij en mijn honden ruikt merkt instinctief dat het verbeeldende brein al medeplichtig aan het worden is. Zelfs buiten de wil om roep ik beelden, gezichten, ruimtes, landschappen, denkbeelden en verschrikkelijke waarheden op.

En ik heupwieg tussen mijn honden. Ook de mensen die me haten of verachten weten dat ze half wild zijn en dodelijk. Stemmen en eenzaamheid zijn het vlees op mijn botten. Ik ben een verschijning van vergane glorie, maar een harde, hete vrouw van onbestemde leeftijd. Een eigen gezicht heb ik niet nodig. Ik heb oeroude kennis, spiegelend als een geslepen dolk. Altijd weer ben ik beter op de hoogte dan mijn vijanden vermoeden. Akelig precies kan ik vertellen wat er in hun harten speelt. Ik kan hun stemmen en idioom vernietigend imiteren. Ik geef stem. Ik ben onuitroeibaar.’

October 13, 2007

Aanstaande woensdag

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 3:31 pm

October 8, 2007

Kabouterbestuur

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 11:42 am

Als reactie op Micha Hamels commentaar waarin hij vroeg hoe de kabouters te beheersen.

Het technische antwoord lijkt me: magnetische lading, positief dan wel negatief. In de kabouter-metafoor zou het iets moeten zijn waarmee je de kabouters bestuurt. Waar zijn kabouters gevoelig voor, zoals silicium (halfgeleider: in zeer zuivere vorm wordt silicium samen met arseen, boor, gallium en fosfor gebruikt voor de productie van halfgeleiders) voor elektromagnetische lading?

Denkend aan de vorm van kabouters en hun altmodische rurale verschijning, is mijn voorstel: worst. Of beter de hoop op worst. De programmeur zegt tegen de liggende kabouter: er komt worst! Die springt in de houding. Tegen een staande kabouter zegt hij: effe geen worst, man. Die gaat prompt liggen.

De crux van het programmeren is kabouters elkaar het gerucht van worst of geen-worst door te laten vertellen. Dan commanderen groepjes kabouters (die onderling radicaal verschillende verwachtingen hebben over de komst van worst) andere groepen kabouters een worstverwachtende dan wel worstvergetende houding aan te nemen. Hieruit valt af te leiden dat er bij deze kabouters twijfel noch geheugen is. Het zijn lege kabouters die samen iets betekenen (symbolisch naar iets verwijzen) dat in de digitale machine zelf nooit kan zijn.

Het virtuele karakter van de digitale wereld schuilt hierin, dat die worst er nooit komt. Of er nu op gehoopt wordt of niet. Worst kan, maar hoeft niet te bestaan.

October 7, 2007

Kabouters

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 10:09 pm

(poging de digitale machine aan kinderen te verklaren)

Toen computers net bestonden en zo groot waren als een huiskamer was het moeilijk om uit te leggen wat het nu precies voor machines waren. Er stond een groot zoemend apparaat en er tegenover zat een fronsende man aan een toetsenbord.

Als je wilde weten wat ie deed, zeiden de uitleggers: nu vraagt hij de computer iets. Een paar minuten of een paar uur later begon er dan ergens een bakbeest van een typemachine te ratelen. Als je vroeg wat er gebeurde, keken de uitleggers een beetje moeilijk, alsof ze tegen hun zin gingen liegen. Dan zeiden ze, uh, de computer heeft over de vraag nagedacht, en dit denkt hij ervan.

Geen wonder dat mensen het griezelig vonden en aan de keukentafel wel eens bezorgd waren over de toekomst. Dan mopperden ze tegen elkaar zoiets als dit: ‘Straks meneer, hebben wij mensen niks meer te zeggen. Dan zitten er computers in de regering en komt er weer een soort Hitler-tijd. De mensen die niet even gehoorzaam zijn als computers of robots verdwijnen in de gevangenis.’

Dat is tot nu toe reuze meegevallen. Mensen zijn nog altijd gevaarlijker dan computers. Dat heeft er alles mee te maken dat mensen denken en computers niet. Maar als computers niet denken, hoe werken ze dan wel? Hoe kunnen computers al die verbluffende dingen doen, zoals hele encyclopedieen onthouden, de belasting uitrekenen, Mario met je spelen of schaken, als ze geen hersens hebben?

Nou, dat zit zo, in computers zitten kabouters. Zelfs de kleinste computer, bijvoorbeeld die in je vaders fototoestel of in de wasmachine, is een mierenest vol hele kleine kabouters. En nu komt het, het geheim van de elektronica is dat die kabouters ongelooflijk dom zijn. Ze kunnen werkelijk niks, of bijna niks. Ik bedoel, ze kunnen niet praten, in hun neus peuteren, zich vervelen, voetballen of jam maken; het zijn onvoorstelbare sukkels. Ze kunnen alleen dit: liggen of staan. Maar of ze nou liggen of staan, ze kijken altijd even duf voor zich uit. Het is binnen in computers in feite een heel saaie en zelfs een beetje zielige boel.

Eén ding moet gezegd, ze zijn razendsnel. Als ze staan kunnen ze sneller gaan liggen dan wij met onze ogen knipperen. En andersom, al liggen ze nog zo sloom op hun rug, ze kunnen bliksemsnel in de houding springen. Wat doen die kabouters als ze alleen maar kunnen liggen of staan? Ze onthouden iets voor ons, net zoals de balletjes op een telraam. Een kluitje van zes kabouters, waarvan de eerste vier liggen, er eentje staat en de laatste weer platligt, hebben ze bv. het getal 2 genoemd. Voor het getal 3 moet één kabouter die staat gaan liggen en die kabouter voor hem opstaan.

Het klinkt een beetje sukkelig, maar als je genoeg kabouters hebt zijn de mogelijkheden duizelingwekkend. Stel je een voetbal-stadion vol kabouters voor, of beter nog, duizend voetbalstadions. Je kent die televisie-reclames wel waar een enorme menigte mensen die een gekleurd parapluutje boven hun hoofd houden samen een grote tekenng of een woord vormen. Of zelfs een kaart van de hele wereld. Ieder parapluutje onthoudt een heel klein stukje van de tekening.

Zo doen de kabouters in een computer het ook. Ze liggen of staan, en in clubjes vormen ze samen getallen. En omdat je alles kunt ophakken in kleine stukjes die je een nummer geeft kunnen computers alles onthouden, niet alleen getallen en letters, maar ook de spelling van het woord ‘penaltystip’, de manier om een staartdeling te doen, of de glimlach op Mario’s gezicht als ie vleugeltjes krijgt. Pianomuziek, de kogels in een schietspel, de letters in je MSN, ze bestaan in de vorm van getallen die die kabouters met elkaar vormen.

De programmeurs, die al die miljarden kabouters in de goede volgorde hebben gezet en ze hebben geleerd elkaar te vertellen wanneer ze moeten gaan liggen of staan, die zijn slim. De kabouters in een computer kunnen maar tot twee tellen, maar juist omdat ze dat zo bliksemsnel kunnen en met zo veel zijn, kunnen ze samen dingen doen die er van een afstandje heel ingewikkeld uit zien.

Als je aan het toetsenbord van een computer zit, of aan de joystick van je spelcomputer, gaan er miljoenen duffe kabouters liggen en staan, in een razend tempo. En zonder dat ze het weten kun je ze laten schrijven, tekenen, rekenen, muziek maken, Mario spelen of schaken. De snelheid van miljarden domme kabouters maakt dat computers slim lijken.

October 4, 2007

Lancering

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 11:30 am

Vandaag is het 4 oktober. Niet alleen is het Wereld Dieren Dag, het is de dag waarop de roman Het Middel feestelijk ten doop wordt gehouden en dit weblog officiëel van start gaat.

4 oktober is een beroemde dag als het om lanceren gaat. In mijn geboortejaar 1957 was het de dag waarop de wereld verrast en verbluft reageerde op de verschijning van de eerste kunstmaan, die zijn baantjes om de aarde draaide. De Sputnik 1 werd vanaf de steppe in Baikoenoer in een baan om de aarde gestuwd en begon zijn reeksen drammerige pieptonen uit te zenden. Het ding was eigenlijk niet meer dan een groot uitgevallen basketbal van aluminium, maar dan met vier metalen sprieten van twee en een halve meter lang.

Toen ikzelf gelanceerd werd, op 22 november, draaiden er maar liefst twee Sputniks rond. Erbij gekomen was de Sputnik 2 met aan boord het hondje Laika, dat het eerste levende wezen zou worden dat 230 kilometer boven het aardoppervlak zou sterven. Ik lag lekker met mijn moeder in het kraambed.

In het boek waarmee ik debuteerde, Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril&VanWeelden, dat precies dertig jaar later verscheen, in november 1987, kon ik het niet laten een kort stukje te schrijven over de bijna lichamelijke band tussen mij en de eerste sateliet. Het omslag van Mobilhome, mijn roman uit 1991 toont een schitterende foto van Nederland, gemaakt door Wubbo Ockels vanuit het Spacelab. In dat boek maak ik een vergelijking tussen romans en satelieten. Beide belichamen een radicale breuk met de aardse, alledaagse werkelijkheid. Ze bevinden zich in een wereld met eigen wetten. Maar hun schoonheid, kracht en bestaansrecht ontlenen ze aan hun vermogen dankzij die afstand verbanden te leggen en ontdekkingen te doen, die onmogelijk zijn op het aardoppervlak en in ons dagelijkse doen. Denk aan satelieten die met radar ondergrondse watervoorraden vinden, waar herders aan de rand van de Gobi woestijn wekenlang vergeefs naar zoeken. Of aan communicatie-satelieten die mensen op enorme afstand in woord, geluid en beeld met elkaar in contact kunnen brengen. Of aan satelieten die kunnen meten hoe het water in de poolzee opwarmt en in beeld brengen hoe de ijskappen smelten, het ozongat groeit en krimpt.

Het zijn metaforen voor de zeer uiteenlopende soorten functies die romans voor hun lezers kunnen vervullen. En het mooie aan de sateliet-vergelijking is dat al die intimiteit, amusement, ontroering, verwondering, inzicht alleen mogelijk zijn dankzij het afstandelijke en kunstmatige karakter van de roman. Net zoals alle mondiale telecom, de nuttige, fraaie en gruwelijke inzichten die satelieten ons bieden, alleen bestaan doordat het eenzame, verre machines zijn. Met heel gevoelige zintuigen, heel grote geheugens, meedogenloze camera’s en slimme verbindingen. Het zijn de mensen op de grond, de lezers, die zich toeeigenen wat satelieten en romans te bieden hebben en daar iets mee doen; de mogelijkheden tot leven wekken, vlees en bloed laten worden.

Waarmee gezegd is wat een goede datum 4 oktober is om een roman en een weblog te lanceren.

October 1, 2007

Nieuws

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 2:33 pm

De roman Het Middel verschijnt deze week bij uitgeverij Augustus.

webomslag.jpg

Maandag 8 oktober aanstaande, zal Pieter Hilhorst in het programma Desmet Live (Radio 5) een gesprek met mij voeren over het boek. De uitzending begint om 18.00. Het programma is ook als televisieprogramma op internet via de site www.desmetlive.nl te volgen

« Older Posts

Powered by WordPress