
January 11, 2010
November 18, 2009
BRANDNEW OLYMPIA SG

The German store Manufactum sells brandnew Olympia standard typewriters in a new color (black). The price is steep but considering the fact that it is completely un-used and fresh from Wilhelmshaven, somehow tempting.
This find (plus the whole catalogue of this Manufactum store) steels my conviction that it is not only possible to find people who can and will manufacture a hypermodern 21 century portable manual typewriter, but that it can become a succes. Long live the Phoenix Typewriter. Are there engineers, product designers who can join me in this vision?
November 7, 2009
October 29, 2009
Op de virtuele fiets

Dezer dagen breng ik heel wat uurtjes door op de home-trainer. Het is een lelijke witte droogfiets, die ik van mijn vader erfde. Dat ik erop zit is niet uit vrije wil, het maakt onderdeel uit van mijn herstel van een lastige blessure aan mijn linker achillespees. De home-trainer is de makkelijkste methode om vier keer per week een uur mijn hartslag rond de 145 slagen per minuut te houden. Na afloop staat er dan een plasje zweet op de planken vloer van de slaapkamer.
Een belangrijk probleem bij het droogfietsen is dat je zintuigen je geen enkel signaal geven dat je beweegt, terwijl je toch een flinke inspanning levert. In mijn bewustzijn levert dat een ergerlijke leemte op, die ik de eerste week vulde met een televisie. Het ritme van CNN bleek nog het best te kloppen bij de vreemde mix van verveling en agressie die de droogfiets bij me opwekt.
Nu kun je zeggen, ga rechtop zitten, laat de beentjes gaan en lees een boek, de krant, een tijdschrift, eventueel met de radio aan. Die radio levert een vergelijkbaar probleem op als de televisie. De meeste muziekzenders werken bij het hard droogfietsen op de zenuwen en de zenders met gepraat worden al snel onverdraaglijk als het adrenaline-niveau bij de luisteraar oploopt. En lezen is stomweg onmogelijk. Misschien dat kalmpjes pedaleren dat toestaat. Maar om een hartslag van 145 te hebben en te houden moet ik echt hard fietsen en na een minuut of tien begin je daarbij te zweten als een otter. Het gutst van mijn tronie, armen, benen en dat terwijl ik een handdoek om de hals geslagen heb. Geen lees-vriendelijke bezigheid.
Mijn oplossing was een virtuele. Ik ging voorover hangen over het stuur en sloot de ogen. Ik beeldde me in dat ik voor mijn huis aan de stoeprand stond. Onder me een prachtige witte koersfiets. Ik was gestoken in een al even hagelwit wielertenue. Compleet met professionele helm. Ik zette af en klikte mijn schoenen vast aan de pedalen. Langzaam trok ik me op gang, naar de overkant, om op de brug naar de Marnixstraat al wat vaart te maken. Daarna ging het harder. In mijn virtuele wielerrondje is uiteraard nauwelijks verkeer en alle verkeerslichten staan op groen. Met een vaartje van boven de twintig per uur koers ik richting Haarlemmerplein. Het idee is om echt iedere meter van een fietstocht naar Blijburg, het strand aan het uiterste puntje van IJburg en terug te maken. En dat in een realistisch tempo. Dus tussen de vijfentwintig en dertig kilometer per uur, zeggen we maar. Zodat mijn voorstelling van het heen en weer fietsen ook echt zolang duurt als het op een koersfiets maken van het ritje, onder ideale omstandigheden.
Het leverde een opmerkelijk prettige ervaring op. Het was leuk om al die gevels en kruispunten voor het geestesoog af te spelen en verrast te worden van al die details en gekke herkenningspunten die in mijn geheugen blijken te zitten. Ook de voortdurende vraag of mijn voorstelling van de route de juiste snelheid had bleek een krachtige bestrijder van de verveling. Al snel ging ik helemaal op in mijn ritje naar IJburg. Ik nam gewoon de Piet Hein Tunnel, in mijn virtuele Amsterdam werd er ruim baan voor me gemaakt, zodat ik mijn tubes kon laten zingen over het asfalt in de tunnel. Zonder met auto’s rekening te houden de ideale lijn volgen.
Ik had natuurlijk op Blijburg een colaatje kunnen drinken, gezeten op het strandterras aan het water. Maar dat deed ik niet, op de ongeplaveide parkeerplaats maakte ik een rondje en reed in matig tempo naar het eindpunt van lijn 26. Daar, op de lange weg die het eiland doormidden deelt maakte ik weer vaart en bereikte alweer diep ademend de brug die me het eiland afbracht. Na 57 minuten was ik terug bij politiebureau Raampoort. Daar kwam ik overeind, de benen stil, uitbollend bereikte ik mijn voordeur.
Morgen rijd ik wat verder: naar de vuurtoren in IJmuiden en terug. Hopelijk zitten de beelden van de route nog in mijn hoofd.
May 12, 2009
Over Martin Bril
Kort begin van een lang afscheid.
Over het uitgedroogde gazon kwam een jongen aanlopen. Een kersverse student, in een verschoten spijkerbroek, een geel t-shirt en een colbert van gebroken witte manchester stof. Hij wist dat hij bekeken werd, dat was op te maken uit de stoere, wat stijve tred waarin hij toch iets zwierigs legde. Uit de linkerzak van het jasje stak een boek, een rode pocket.
Toen hij het gazon bij de kampeerboerderij was overgestoken zocht hij een stoel, haalde een zonnebril uit zijn binnenzak, zette die op en begon vervolgens een sigaret te rollen. Javaanse Jongens-shag in de smalle papieren verpakking.
Het was het eind van de zomer van 1978 en we bevonden ons op Ameland. Ik was er als student-assistent van de lector aan de Rijksuniversiteit Groningen, die verantwoordelijk was voor de introductie van de nieuwe filosofie-studenten, een stuk of veertig. Die introductie-weken begonnen met een weekend op het eiland, om kennis te maken met elkaar, het vak en de docenten van het filosofisch instituut.
Ik ging bij de lezende jongen zitten. Hij stelde zich voor als Marten en hij ging met graagte in op mijn vragen naar het boek dat hij las. Al snel was duidelijk dat ik een geestverwant had gevonden. Het mag gek klinken, maar dat gebeurde niet zo vaak. Ik was aan de filosofie-studie begonnen uit een hang naar algemene ontwikkeling, om achtergrond-informatie op te doen bij de literatuur, kunst en films die me bezig hielden. De studie stelde niet teleur, maar niemand van mijn mede-studenten leek mijn interesses te delen. Ze waren uitgeloot bij medicijnen of ze wilden revolutionair-marxistisch intellectueel worden of ze zochten de zin van het leven na een mislukte reis naar India.
Maar Marten had Peter Handke’s Kurzen Brief zum langen Abschied op zak. En nog wel in het Duits. Alles wat hij erover vertelde klonk beter dan wat ik van Handke gelezen had. Het boeiendst was dat het over een Europeaan ging die van Oost naar West door Amerika reisde, om te veranderen en alles om zich heen nauwkeurig waarnam, in de hoop aan zijn reacties en gedachten te kunnen aflezen dat hij een ander aan het worden was. Hij werd achtervolgd door een ex-vriendin, die hem zelfs probeerde te vermoorden. Behalve de observaties van het Amerikaanse leven en de landschappen waren het de films van John Ford die als ijkpunt dienden. Kortom, ik zou het boek snel kopen en lezen en dan zouden we het er over hebben. Marten (die zich een jaar later al Martin noemde) was een jongen van negentien, ik een jongen van eenentwintig.
Dertig jaar later moet ik voor mijn werk in New York zijn. In Amsterdam loopt Martin op zijn laatste benen. Al een jaar lang ligt er een koude loden plaat in mijn maag als ik aan hem denk. Die is dan weer verdwenen als ik met hem zit te praten, of wandel of eet en drink. Maar de laatste weken wordt het gewicht zwaarder en zwaarder. De emails die we uitwisselen bestaan grotendeels uit beloftes: gauw, zometeen, straks, als je terug bent. Tegen beter weten in, want ik vrees dat we elkaar niet meer zullen zien.
Op een zonnige vrije middag loop ik een boekhandel in Greenwich Village binnen. Op de tafel met nieuw-verschenen boeken ligt Peter Handke’s Short Letter, Long Farewell, met een voorwoord van Greil Marcus. Ik lees het die nacht uit, om de paar uur rekenend hoe laat het is in Amsterdam.
In helder, ironisch Engels dwaalt Handke’s blik door een verdwenen Amerika. Langs New Yorkse trottoirs, parkeerterreinen in Maryland, etende mensen in restaurants langs de snelweg, over slapende kinderen en langs ruzieënde echtparen. Ja, aan het eind is hij minder door zichzelf geobsedeerd en een ander geworden. Het boek eindigt aan de voeten van de oude John Ford, die de verteller en zijn ex eenvoudige menselijke waarheden over het leven en verhalen vertellen voorhoudt.
Het enige dat ik erin lees is de weg die Martin heeft afgelegd van het grasveld op Ameland naar zijn rol van schrijvende troubadour. Van de vormeloze, eindeloze ‘Brils Berichten’ die hij schreef (en waaruit hij brieven, artikelen en hele romans knipte, plakte en kopieerde) naar die dagelijkse krantencolumn, die zijn schrijven en zijn leven de vorm en het houvast gaf, die hij nodig had. Op zijn best in eenzaamheid, onderweg van A naar B, maar nooit langer dan een dag zonder lezers.
Een paar dagen later regent het als ik met de subway naar huis ga na een lange werkdag. Het schemert in de drukke, natte straten van New York. In de supermarkt op Lexington Avenue gaat mijn telefoon. Tussen de waterflessen en de wand wc-papier ga ik op de grond zitten en luister naar de snikkende stem die vertelt dat Martin is overleden.
Toen we in 1987 schreven aan ons debuut Arbeidsvitaminen was ons devies dat je moest schrijven vanuit het nederige besef dat boeken slimmer waren dan de schrijvers die ze schreven. Als ik weer opsta van de grond in de supermarkt is de loden plaat in mijn maag zwaar maar warm. In de zak van mijn jas zit Peter Handke’s Short Letter, Long Farewell.
Vaarwel, jongen.
April 23, 2009
April 4, 2009
New York
Op een van de eerste dagen dat ik hier alleen door de stad liep plensde het. Wandelaars, flaneurs, toeristen, ze waren voor het leeuwendeel uit beeld verdwenen. Ik moest terug naar huis, naar mijn kleine maar goed uitgeruste appartement in de Upper East Side.
Ik werd omringd door mensen die liepen, dribbelden en schuifelden richting subway station. Om ons heen de grote oude dierenlichamen van de wolkenkrabbers rond Wall street. Vermoeide gezichten, grote lelijke jassen en regenlaarzen tegen het weer. Een beetje norse sfeer hing er wel in de menigte die in een ongehaast tempo in de ondergrondse wereld afdaalde. Op de smalle trap, -met metalen platen om de rand van de treden te beschermen, zo onstellend versleten dat ze glommen als een pasgepoetste zilveren theepot-, werd ik heerlijk rustig vanbinnen.
De regen verenigde me met de New Yorkers. We waren allemaal even nat. Allemaal om een uur of zes op weg naar huis. Ik na een dag opnames voor de televisie-documentaires, zij na een dag op een bank, een reclamebureau, een reisbureau, een overheids-instelling. Een New Yorker kon ik mezelf nog lang net noemen, maar ik onderging een moment dat, hoe vluchtig het ook was, niets anders behelsde dan New Yorker-worden.
New York is nog steeds een van de voornaamste podia waar het wereldgebeuren in al zijn rauwheid en dynamische glorie wordt opgevoerd. Maar het is ook een onbeschaamd zelfbewuste, nostalgische stad geworden. Alsof ergens in de jaren negentig massaal besloten is dat men de toekomst -hoe die ook zal zijn- zal gaan vormgeven naar het ideaalbeeld dat de stad van zichzelf heeft: de stijl die hier heerste tussen pakweg 1925 en 1965. Huizen, parkjes, gevels, die in een eerdere periode zonder genade of spijt zouden zijn gesloopt, vermalen en als puin onder een neiuw viaduct gebruikt, zijn nu hsitorisch monument en een object van trots, kopieerdrift, toeristische aandacht. Met de komst van het toerisme zijn de New Yorkers als een toeist naar hun eigen geschiedenis gaan kijken. En godallemachtig, wat is het dan opeens een stokoude stad. Wat is hier veel begonnen, versleten, kapot gegaan, verloederd en afgestorven en weer fris en jong opnieuw begonnen!
Nog tot eind april loop ik hier rond. Af en toe heb ik tijd om iets op te schrijven. Om een schrijfmachine te zoeken. Ik wil naar huis met een Olivetti Lettera 22 van rond 1960. Zondag ga ik voor het eerst op zoek. Op een rommelmarkt in Brooklyn, Lafayette Avenue.











