Een tijdje terug schreef ik hier een korte mijmering over scheerolie. Terwijl het douchewater liep en ik het scheermes ter hand wilde nemen, was de scheerolie op. Ik gebruikte toen een paar druppels olijfolie, wat verrassend goed werkte. Zonder de vertrouwde menthol en aloë vera, maar toch lekker fris.
Goed, inmiddels vraag ik me iets af waar chemisch en natuurkundig onderlegde lezers misschien uitsluitsel over kunnen geven. Dat is dit: mijn vermoeden dat het gebruik van scheerzeep ervoor zorgt dat het staal van scheermesjes eerder bot wordt, dan wanneer je olie gebruikt. Ik scheer me even vaak, maar gebruik minder scheermesjes sinds ik me uitsluitend met olie scheer.
Scheermesjes worden volgens mijn leken-verstand bot door roest en het schrapen langs baardharen. Maar misschien worden ze ook botter door de inwerking van zuren of andere stoffen. Is het iets met ionen? In welke opzichten verschilt olie van zeep?
Een lange vrouw. Ze schaatst. Moeiteloze reuzenslagen in huidstrak zwart. Alles aan haar is dun, loom, lang. Ze rijdt voorop in het treintje van de allersnelsten, die de binnenbocht opeisen. Het zelfvertrouwen in de ontspannen brede schouders.
Ze klimt als een sluipend luipaard de bochten in. Diepliggende ogen, halflang zwart haar, een ironisch gezicht. Ik vergaap me aan het contrast tussen de slow motion benen, de beheerst deinende heupen en de hoge snelheid waarmee ze de baan rondrijdt. Ze vliegt bijna. Twee mannen uit het treintje haken af, komen rechtop, kiezen blazend het midden van de baan, schudden de zware benen los.
Later verschijnt ze op de parkeerplaats. Nog steeds leuk om te zien, slenterend tussen haar vrienden. Meer niet. Ze geeft geen licht meer. Een erotisch aura is verdwenen. Wat wekte dat aura op?
Op weg naar huis vind ik het antwoord. Bij het stoplicht. Een jonge meid op een grote terreinmotor. Haar aandoenlijke bergschoenen onder de spijkerbroek. Het lange blonde haar onder de helm uit. Leuk gezicht. Meer niet. Dan wordt het groen. Ze accellereert fel. Snelle, doelmatige bewegingen, pure snelheid. Ze zigzagt behendig weg, razendsnel.
Het is er weer: opeens geeft ze licht, terwijl ze voorgoed uit beeld verdwijnt. Het meest verleidelijke is niet vast te houden. Het is de beheerste snelheid van denken, handelen en bewegen.

Tijl had een al een tijd erg bont gemaakt. Verbaasd was hij dan ook niet toen de hertog hem in het vroege voorjaar liet oppakken en hem verbande uit de stad en van het grondgebied van het hertogdom. Nadat de schout de officiële veroordeling had voorgelezen legde de hertog zelf uit wat die lange reeks plechtige woorden betekende. ‘Op mijn land is het je verboden te wonen, te werken, te lopen en zelfs te liggen’, zei hij. Dat knoopte Tijl in zijn oren. Meteen toen de soldaten van de schout hem bij de grenspaal losgelaten hadden was hij op zoek gegaan naar een boer. Laat op de middag zag hij een kar langs het veld staan met een ezel ervoor. Hij zocht de boer, die bezig was een hek te repareren.
‘Wiens land is dit?’ vroeg Tijl.
‘Het mijne, ik heb het van mijn vader geërfd,’ zei de boer.
‘Hoeveel wil je hebben voor een karrevracht grond van deze akker?’
De boer noemde zijn prijs.
De volgende dag reed de hertog in alle vroegte de stad uit om met een groot gevolg de valkenjacht te gaan bedrijven in een van zijn bossen. Bij de zuidpoort kwam hij Tijl tegen, die net de stad in reed. Hij zat in een boerekar, tot zijn schouders begraven in de aarde.
‘Tijl, ik heb je verbannen! Je schendt mijn vonnis, ik zal je laten opsluiten en folteren tot je voorgoed scheel ziet.’
‘Beste hertog, ik mocht niet meer wonen, werken, lopen of liggen op uw land. Het land waarin ik zit is mijn bloedeigen land. Eerlijk gekocht van een man die het geërfd had. Vraag het hem, hij zit voorop de bok,’ zei Tijl. De boer bevestigde de erfenis en Tijls aankoop van de grond.
De hertog vervolgde zijn weg om te jagen. Tijl reed de stad in, om samen met vrienden liederen te zingen en bier te drinken onder de lindenbomen bij de herberg, gezeten in zijn eigen, rijdende land.
De zon zet alles in een royaal, hard licht. Het is herfst, dat vertellen de kleuren en het aroma dat uit het park opstijgt.
Bij de toegangshekken staat een jonge man in hardloperskledij. Hij is bijna twee meter lang en heeft de schouders van een roeier. Hij zet zijn schoen op een dwarslat in het hek. Dan strekt hij zijn been en brengt zijn bovenlijf voorover. Net als hij van been wil wisselen komt er een vrouw aanschuifelen.
Ze loopt als een tachtigjarige, maar ze kan niet veel ouder dan vijftig zijn. Vettig zwart haar valt om haar ronde gezicht. Ze draagt een beduimelde bril. Haar armen bungelen stijf langs haar romp. Die slappe tred, de pafferige wangen, de starre blik, alles suggereert langdurig medicijngebruik.
‘Nee, niet weer, hè,’ zegt de vrouw en houdt halt midden op het pad.
‘Wat scheelt eraan?’ vraagt de man.
‘Nou gebeurt het weer, dat ik een beetje bang word.’
De jonge man aarzelt geen seconde. Hij pakt de vrouw bij de arm en leidt haar naar het hek.
‘Hier, houdt u zich maar even vast. Maakt u zich geen zorgen. Er kan niet zoveel mis gaan. Echt niet. Het is een prachtige dag.’
Haar hand omsluit een van de groene spijlen. Het is alsof ze wakker wordt.
‘Dank u,’ zegt ze stralend.
Er bestaat een kort moment; vlak nadat het te laat is nog iets te doen -terug is onmogelijk, ingrijpen te traag- maar vlak voordat het ongeluk, de ramp, de val, de misdaad plaatsvindt.
Het is het flitsmoment waarop de auto je nog niet geraakt heeft maar je zeker weet dat het zal gebeuren. De halve seconde waarin je voelt dat je evenwicht onherstelbaar verloren is en de val onvermijdelijk. Het zichzelf vertragende ogenblik waarin je de toets hebt ingedrukt, de foutmelding nog niet is gekomen maar het kostbare document vernietigd is. De ademtocht waarvan je hoort dat het je moeders laatste zal zijn.
Een paar seconden lang is alles griezelig licht en helder. Je hart maakt een duikvlucht over een diepe afgrond. In een flits kun je kunt uren, dagen, maanden, jaren in de toekomst zien. Want het volle besef van alle vreselijke gevolgen is al bij je. Je weet alles al. Niet als een verhaal of een opsomming, maar als in een enkel beeld van een onverzettelijk ding. Voor een tussenmoment ben je gevangen in een cocon, gegijzeld door dat beeld.
Dan gebeurt de wereld weer en word je geboren in het moment van de ramp, het ongeluk, de val, de misdaad. Ertoe veroordeeld nieuw te zijn.
De kunstenaar Joseph Cornell woonde met zijn gehandicapte broer Robert even buiten New York. Om materiaal voor zijn collages te verzamelen maakte hij excursies naar Manhattan. In 1962 valt zijn oog op de cassiere van Ripley’s Believe it or Not Museum. Ze heet Joyce Hunter, hij noemt haar Tina. Hij ziet in haar een droom-elf, een abrikozen-meisje. Celibatair als hij is, obsedeert deze nymfijn hem hevig. Als hij haar ziet kan hij zo overrompeld raken dat bewegen en spreken onmogelijk worden. In zijn dagdromen verschijnt ze als onschuldige engel in een baby blauw jurkje. Soms is ze bijna zijn moeder, molliger en blonder dan de werkelijke Joyce. Cornell is dankbaar voor die verschuivingen en versmeltingen.
In 1964 trekt ze bij hem in. Een paar maanden later is ze verdwenen. Negen van Cornells beroemde dozen ook. Hij weigert een aanklacht in te dienen. In zijn ogen is ze onschuldig. Hij maakt een collage van haar en haar pasgeboren dochter; als een schattige roze rat met een jong.
Op 16 december stuurt Cornell een vriend naar het stadsmortuarium om haar lichaam te identificeren. Ze is uit het water gedregd en heeft twee steekwonden. Cornell laat haar in de buurt van zijn huis begraven. Hij huurt twee detectives in om het kind op te sporen, dat hij zou willen adopteren. De pogingen hebben geen succes.
De dag begint in het donker. Rouwende vrouwen in zwarte lappen op de voorpagina van de krant. Ze schreeuwen hun verdriet met het hoofd in de nek. Wijdopen monden waarin tanden ontbreken. Sterke, gerimpelde handen grijpen in het niets.
Daarna het werk. De hele dag lamplicht op het toetsenbord. Het daglicht is ziek. Op de radio blijkt de wereld op volle toeren te draaien, maar windstil en loodgrijs. Ondanks de pauzes met vrolijke muziek en opbeurende lectuur brengt ook het werk geen glimlach. De werkdag eindigt in het afvoerputje van de routine.
Dan het eten, de krant, de televisie waarop mannen in pakken machteloos hun retorische raderwerk op gang proberen te houden. Ze ligt stralend in bed, net uit bad, met gewassen en geföhnde haren, een halo van honinggoud om haar hoofd en op haar schouders. Ik kom binnenlopen en ze strekt haar armen wijd uit. Een brede glimlach. Ze sluit me in haar armen en zegt.
Weet je als ik iets aan de wereld zou kunnen veranderen dan zou ik alle winkels iets goedkoper maken. En alle ziekenhuizen goedkoper. En zorgen dat iedereen op de wereld een huis had. En ook dat de wereld iets groter was en de zee iets kleiner en dat het altijd lekker weer was. En ik zou ook iets eerder jarig zijn.

Tijdens mijn eerste bezoek aan Nederland maakte ik een wandeling over het strand en door de duinen. Het was een stralende lentedag. Door wat ik gelezen had stelde ik me Nederland donker en robuust voor. Dijken, dammen, havens, alles plat. Op de ontroering door het duinlandschap was ik niet voorbereid. De kwetsbare zandheuveltjes liggen er vlak naast de onbevattelijke macht van de zee.
Ik kom van het Chinese platteland, uit een streek aan de rand van dichte wouden en woeste bergen. Voor ons is de natuur overdonderend en wild en dus gevaarlijk. Van alles is er teveel. Maar hier voelde ik de massa van de natuur niet op me neerdrukken. Het was er licht, de lucht voelde zacht en het landschap was open en liefelijk. In de duinen had ik de neiging voorzichtig te lopen en zachtjes te praten met de anderen. Alles leek er zeldzaam en tijdelijk. Duinen veranderen door de wind, de zee, zelfs al door er te lopen of met wagens rond te rijden.
Ik zag Nederland als een land van stoere norse Noorderlingen met hun oceaanschepen, dammen en dijken. Ik had nooit verwacht er een landschap te ontdekken dat zo ijl en ongerept was, zo teer. Ik schreef een gedicht waarin ik zei dat het duinlandschap aan zee ligt te slapen als een eeuwig jong meisje.
Grand Bahama Island. De zon is er hard, het land onvruchtbaar. Maar er zijn stranden. En dus is er ook een Grieks restaurant met een houten veranda. Cally’s Restaurant.
Daar in de schaduw zit een elegante dame van in de vijftig. Haar kleren zijn wat ouderwets, maar smaakvol. Diamanten in haar gouden oorbellen. Chice luchthartige glimlach. Ze spreekt me aan. Kalm en zelfverzekerd. Ik ben tenslotte haar gast. Zij is Cally. Al vijfentwintig jaar weduwe. Hard gewerkt, maar met succes. Vier zaken op het eiland. De kinderen getrouwd. Iedereen gezond. Ze haat de Bahama’s, a desert for the soul.
Drie keer per jaar is ze op haar eiland, Kalimenos. Daar woont een man van wie ze houdt. Een ingenieur. Ze aarzelt of ze zich bij hem zal voegen. Alles aan hem is goed, behalve zijn passie voor politiek. Hij wil verkiezingen winnen. In haar ogen maakt dat de liefde onmogelijk. Ze ziet zichzelf zitten, twee uur ’s nachts, wachtend tot hij terug komt van de met drank overgoten politieke ruzies over ego, geld, wraak. Ze kent het van haar vader. Wat moet ik doen? vraagt ze, ik ben al zo lang weduwe, u weet vast meer van de liefde dan ik.
Haar ogen karamelkleurig met groene vlekjes. Ogen die lang duren. Tot we vrienden zijn. Afscheid met een handkus zonder ironie.
Ik zag een ridderfilm waarin de helden in een belegerde vesting zitten. Een overmacht buiten de poorten. Bestookt met vuurbollen, rotsblokken en rottende kadavers houden ze vol. Ze vechten tot de laatste man. Heldhaftig, tragisch, dom.
Mijn onbegrip stookt het vuurtje van mijn fantasie hoog op. De belegerde vesting is het probleem. Als ik in zo’n hopeloze situatie zat zou ik proberen de vesting het probleem van de belegeraars te maken in plaats van het mijne. Hun verlangen om de vesting binnen te dringen moet hun ondergang worden.
Ik zou de burcht verbouwen tot een val, een omgekeerd Paard van Troje. Een zogenaamde verrader geeft de belegeraars controle over de poort. Ze stormen naar binnen en zien de verdedigers nog net in het gebouw verdwijnen. Die hebben maandenlang tunnels gegraven om uit de stad te kunnen ontsnappen. De tunnels laten ze achter zich instorten. De burcht zelf is ondermijnd, een reusachtige booby trap, die in een oogwenk met olie, pek en brandend hout op de veroveraars neervalt. Muren die op scherp stonden tuimelen.
De ontsnapte verdedigers vallen de anderen in de rug aan en drijven de laatste vijanden de brandende burcht in. Vesting en vijand vergaan tot as. De belegerden zijn vrij, reizen verder en bouwen ergens anders een nieuwe burcht. Of besluiten wijselijk nooit meer een vesting te bouwen.