Archive for the ‘Lopen’ Category

Heuveltraining

Monday, June 16th, 2008

 

Afgelopen zondag om half negen stond ik aan de zijlijn bij het hockey-tournooi van mijn dochter op de velden van Hurley in het Amsterdamse Bos.

 

Het werd een veel mooiere dag dan voorspeld en ik was blij dat ik mijn hardloop-plunje had meegenomen. Tijdens een eindeloos lijkende lunchpauze van twee uur liet ik de dames in de zon liggen op hun dekentjes, omringd door snoep, broodjes worst en ei, en liep een rondje van een kwartier door het bos om warm te worden.

 

Daarna maakte ik gebruik van iets dat zeldzaam is in Amsterdam: de heuvel. Met een lekkere lange aanloop liep ik in 48 tot 54 seconden in 10 K tempo naar boven. Daarvan schoot mijn hartslagfrequentie dan tot 174 slagen per minuut omhoog. Bij een gemeten maximum vorige maand van 187. Dus niet idioot hoog.

 

Dan rustig naar beneden. Meestal zakte mijn hartslagfrequentie dan onder de 130 en kon ik meteen weer omhoog. Heb ik vijftien keer herhaald. De laatste drie keer vond ik vrij pittig. Daarbij ontsnapten er uit mijn keel eigenaardige geluiden.

 

De omstandigheden waren vrijwel ideaal. Niet te warm, geen wind, weinig drukte. Een paar keer moest ik even wachten: wanneer er iemand met een vervaarlijk uitziende en loslopende hond voorbij kwam. Als er een maniak passeert die zo hard mogelijk tegen een heuvel op jakkert wil dat nog wel eens rudimenten van een jachtinstinct wakker schudden.

 

Een uniek ingrediënt van de training was het geriedel en gebonk van het DansFestijn A Day at the Park dat vlakbij in het Bos plaatsvond. Soms passeerden er verdwaalde festivalgangers. Mollige meisjes in strakke tshirts die vanachter reusachtige witte zonnebrillen elkaar waggelend liepen uit te foeteren dat de ander de juiste informatie niet had meegenomen.

 

Tijdens het afkoelende loopje na mijn heuveltraining merkte ik dat door de wind, de bult in het landschap en de bomen van al dat elektronische kabaal niets te horen was aan de andere kant van de Heuvel. Met zware bovenbenen en een razende honger draafde ik terug naar het clubhuis van de hockey-club, waar het geluid van het dansfestijn het de scheidsrechters en coaches moeilijk maakte om met de spelers op het veld te communiceren. Ik was een uur en tien minuten weggeweest.

 

Meest opmerkelijk was het feit dat de hele dag dezelfde drie platen leken op te staan.

 

Witte tunnel

Friday, December 21st, 2007

Op de fiets terug van de bibliotheek voel ik hoe de ijzige wind mijn tenen doet verstijven. De huid op mijn kaken trekt strak. Rillend kom ik het huis in, de harde handen van de winter nog voelbaar aan mijn slapen.

Zelfs bij een mok thee blijven mijn handen koud en kruipt er met regelmaat een rilling over mijn rug. Misschien komt het omdat ik in mijn geschiedenisboek blader en af en toe opkijk, naar buiten, waar de auto’s met witte kuiven passeren, de mensen schuifelen over een laag sneeuw en de lucht roerloos en loodgrijs neerdrukt op de stad.

Toch wordt het bladeren lezen en slaan de zinnen hun armen om me heen. En ergens in het prille begin van de negentiende eeuw, in verpauperde binnensteden, winterse vlaktes waarin geplunderde dorpen achterblijven terwijl een Napoleontisch leger verder trekt op schonkige paarden, de kanonnen waggelend over de bevroren modder, denk ik aan de schoenen die ik vorige winter kocht. De slanke terreinschoenen met lange rubberen noppen. Engels fabrikaat, bedoeld voor de veldloop.

Tien minuten later verlaat ik het huis en bespeur al de eerste glimp van mijn betere humeur als ik merk dat mijn pas soepel is en mijn hartslagfrequentie laag. Het olieachtige water in de brede vaart, de dromerig cirkelende meeuwen en de bomen met hun berijpte takken kan ik nu pas waarderen, nu ik hardlopend de stadsrand opzoek.

Achter het park, voorbij de volkstuinen en de spoordijk is een bospad. De bomen hangen eroverheen en ook de grond is besneeuwd. Ik loop een witte tunnel in en wordt gelukkig. Mensen die teruggekeerd zijn van de rand van de dood berichten van hun zweeftocht naar het licht aan het einde van een donkere tunnel.

Dit is veel mooier. Op mijn eigen goede benen, in een rustige en krachtige looppas verlaat ik de koude donkere wereld en ga op in een lichtgevend bos. Ieder takje, iedere stronk, zelfs de afgestorven bramenstruiken zijn helwit en donzig edelmetaal geworden. Ik word warm en vergeet zelfs even te ademen. Geen bijna-dood-ervaring, nee, het is eerder alsof ik bijna volledig tot leven kom. Bijna leef ik werkelijk oftewel, ga ik zelf lichtgeven. Iets in mij staat op uit het graf.

Dan kom ik op het knobbelige weiland en baan ik me zigzaggend tussen hardbevroren molshopen door een weg naar het fietspad. De kantoormensen kleumend op hun fietsen op weg naar het station. Verderop de bestelwagens met elektriciens en stucadoors op de terugweg naar Volendam en Purmerend. Mij deert het niet meer. Mijn hardlopende benen hebben hier iets opgehaald waarmee ik me wapenen kan tegen de invallende duisternis.

Japanse theorie

Wednesday, November 7th, 2007

Op het internet speurde ik naar geschriften waarin theorie-vorming plaatsvond over hardlopen. Een van de meest vermakelijke tekstsoorten waarop ik stuitte was het door Japanners in het Engels geschreven ‘abstract’ van hun eigen essays. Het volgende meesterwerk is van de hand van Takeshi Nozaki. Hij vat een essay samen waarin hij in het hardlopen een wereldomvattend cultureel conflict ontwaart tussen modernisme en anti-modernisme. Ik heb het zo letterlijk mogelijk uit Nozaki’s Engels vertaald.

Modernisme en anti-modernisme in sport

Takeshi Nozaki

Samenvatting:
Vele studies verhelderen dat de moderne sport modernisme als voornaamste constituerende element heeft.
De zorg van deze studie is het tegengestelde aspect van moderne sport: anti-modernisme.
Modernisme wordt gedefinieerd als de verschijnselen die zijn veroorzaakt door verkeerd begrip dat het subject de wereld in zijn geheel kan controleren door gebruik te maken van zijn verstand.
Anti-modernisme is gedefinieerd als de mystieke ervaring dat activiteiten in de wereld het subject een nieuwe subjectiviteit geven hals over kop.
Een hypothese van deze studie is dat moderne sport anti-modernisme als constituerend element heeft. En een effect heeft om genezing te geven aan het lichaam van het moderne subject.
De belangrijkste resultaten zijn als volgt:
1) Tussen-lichamelijke prestaties zijn gerealiseerd op de extreme situatie in het betekenisvolle spel voor sport-spelers. Hun zelfbewustzijn en de intentionele controle van lichaam van spelers zijn verdwenen in de tussen-lichamelijke prestaties.
2) Het is essentieel te bedenken: tussen-lichamelijke prestatie heeft een ritme, gezamenlijk in hun sport-training.
3) Tussen-lichamelijke prestatie heeft een effect spelers lichaamsgenezing te geven. Sport-spelers krijgen een nieuwe subjectiviteit in tussenlichamelijke prestatie.
4) Een aspect van anti-modernisme in moderne sport heeft een effect het moderne subject te genezen, maar een ander effect om uitsluitend een lokaal universum te vormen.

Sleutelwoorden: middelpuntzoekende-middelpuntvliedende werking van intentionaliteit, tussenlichamelijke prestatie, lichaamsgenezing, ritme.

Nederlands Kampioen!

Monday, October 22nd, 2007

Helder herfstweer is het mooiste. Het was gisteren ideaal weer om hard te lopen. Daar hadden wij van het Team Sporthuis (een imprint van sportboeken bij de Arbeiderspers en betrokkenen bij 42, het hardlooptijdschrift) maar geluk mee. We liepen namelijk vanaf half elf in estafette-vorm (in stukjes van vijf, tien en iets meer dan zeven kilometer) de marathon van Amsterdam. Nog zo’n 83 andere bedrijven-teams deden mee aan wat officieel heette Het ING Nederlands Kampioenschap Estafette Marathon. Het woord officieel is op zijn plaats, aan dit wedstrijdje hing namelijk het merk van goedkeuring van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie.

In een moderne estafette-marathon wordt geen houten stokje doorgegeven. Een elektronische chip zit met klittenband aan de enkel van de lopers bevestigd. Op de wisselpunten (waar de deelnemers met bussen naar toe gereden worden) moeten de teamleden elkaar vinden en de band met de chip aan de enkel van de startende loper vastmaken.

De lopers van Team Sporthuis hadden geen enkele moeite elkaar de vinden bij de wisselpunten. We waren namelijk gesponserd door Brooks Nederland, waar men ons (Ivo Janssen, Bram Bakker, Peter Nijssen, Wout Heslinga, mij en Marcel Versteeg van Brooks Nederland zelf) in oogverblindend geel had gehuld. Op nieuwe Brooks-schoenen en in die bijkans lichtgevende shirts zagen we elkaar al vanaf grote afstand naderen. Een heel vrolijk stemmend gezicht. Temeer daar Team Sporthuis na de derde wissel op kop lag. De concurrentie van hardlopende groepjes medewerkers van banken, bouwbedrijven, detacheringsbureaux en kopieermachinefabrieken bleek niet tegen ons opgewassen.

Ik stond aan de Mauritskade, tussen de molen bij brouwerij ‘t IJ en de Dappermarkt, te kleumen in mijn korte broek en hemdje. Het idee was namelijk dat ik niets anders hoefde te doen dan verschrikkelijk hard naar het Olympisch stadion lopen, zo’n 7 kilometer en 195 meter verderop. Zo’n kort wedstrijdje had ik nog gelopen. Geen tactisch plan, gewoon vlammen. De telefoon in het jack van een van de stewards ging. Op het vorige wisselpunt was de eerste loper gepasseerd. Vreemd, vond hij, dat hadden we pas over twintig minuten verwacht. Van welk team was hij? vroeg ik. Nummer 70. Wout, dus!

Wout had me die ochtend verteld dat hij van de week een test gedaan had op de atletiekbaan en de vijf kilometer (die hij ook hier moest doen) liep in 19 en een halve minuut. Van schrik ging ik me veel te snel warm lopen over een uitgestorven Dappermarkt. Bang hem te missen stond ik na een klein kwartier al weer klaar. Tussen de passanten, die de hele marathon liepen en ruim onder de drie uur gingen finishen kwam hij aangestormd. De wissel ging soepel en ik stoof weg.

Het ging heerlijk en de aanmoedigingen van het publiek waren hartverwarmend. Alleen had ik de indruk dat ik ze niet verdiende. Ik liep helemaal fris tussen formidabele lopers, die de marathon ruim onder de drie uur gingen lopen. Iets wat ik (nog) niet heb klaargespeeld. Het wekte de neiging op bij het passeren van die moegestreden krijgers te roepen: trek het je niet aan, ik ben zo’n watje van de estafette!

Ik bracht de chip over de finishlijn in het Olympisch Stadion 2 uur, 43 minuten en 55 seconden nadat Ivo gestart was. Daarmee was Team Sporthuis Nederlands Kampioen! En de overwinning was duidelijk afgetekend. Nummer twee, een team van jongere bankemployees had ruim tien minuten op ons verloren. We waren zelfs twintig minuten sneller dan de winnaar van vorig jaar. Onze gemiddelde snelheid bedroeg 15,445 km/uur.

Genetwerkt met andere bedrijven hebben we eerlijk gezegd niet in de BusinessTent, maar de catering lieten we ons smaken. We hieven het glas met onze reserveloper Kees Kooman. Martin Bredijk, ons geblesseerde teamlid moest verstek laten gaan. In de loop van de middag kregen we ieder een schitterend lelijke beker van een man van de ING. De voorzitter van de KNAU was de medailles even kwijt. Die volgen dan per post.

Abdelkader Benali, ook een man van Team Sporthuis, kwam nog even feliciteren. Hij had solo meegedaan aan de marathon. Tot kilometer dertig ging alles fantastisch. Hij kwam zelfs ruim onder de twee uur door, maar daarna speelde zijn maag op. Een paar kilometer verderop moest hij de strijd staken. Hij verdenkt een energiedrankje. Zelf leek hij niet geknakt door de opgave. Hij werd meteen overspoeld door adviezen welke snelle marathon hij binnenkort kon lopen. Leukste die ik hoorde langskomen: de ZuiderzeeMarathon, van Urk naar Zwolle. ‘Meestal het hele eind wind in de rug.’

Voetstappen

Wednesday, September 26th, 2007

139144444_3307f62c0c_m1.jpg

Er ligt een pad door een bos. Een flauw slingerende baan van zwarte aarde, vlak en glad. Geen zaailing of grasspriet waagt het er te groeien. Vogels hoeden zich ervoor op het pad neer te strijken. Muizen, herten, dassen, marters en vossen kijken wel uit het pad over te steken. De dieren blijven aan hun eigen kant van deze langgerekte open plek die het bos doorkruist. Last hebben ze daar niet van. Het bos is groot en wordt aan alle zijden omringd door vlaktes met beken en meertjes.

Op het pad groeien voetstappen. Als ik wakker word en de hemel aankijk tijdens het oprekken van de ruggengraat haal ik diep adem; dan kan ik ze horen. Kom pappa, we zijn eenzaam en bang. Breng ons naar huis. Haal ons hier weg, piepfluisteren ze.

Die roep uit de verte is geen reden om zorgelijk het huis uit te stuiven. Ik doe mijn kniebuigingen en neem mijn ontbijt. Ik verricht mijn werk en zing een paar liederen, waarbij ik mezelf begeleid op de gitaar. Dan trek ik mijn dunne boskleren aan en stap op lichte, snelle schoenen naar buiten. Soms duurt het uren en een enkele keer dagen of een week voordat ik het bos kan vinden waar mijn voetstappen om mij liggen te krijsen. Laatst vroeg iemand of ik er wel eens aan twijfelde ze te kunnen vinden. Verbluft moest ik toegeven dat ik dat voor onmogelijk hield. Uiteindelijk vind ik het bos altijd en ligt het pad voor me klaar. Voor mij alleen, geen mens te bekennen.

In een lange rij liggen ze daar, al die voetstappen die ik vervolgens verzamel en red. Ik neem ze in me op en hoor ze daarbij een zucht van verlichting slaken. Er is wel enige snelheid vereist om ze van het bospad los te krijgen, maar die moeite doe ik graag. Niet uit liefdadigheid, maar uit welbegrepen eigenbelang. Als ik gehoor geef aan de huklpkreet van mijn voetstappen en ze ophaal op het bospad voeden ze mijn benen. Ze liefkozen mijn hart en longen. En ze onderwijzen mij.

1.Voeding
Benen hebben voetstappen nodig. Zittende en liggende benen zijn ruimtes waarin voetstappen wegsmelten. De beweging die nodig is om voetstappen te verzamelen blijft met de voetstappen enige tijd in de benen aanwezig. Voetstappen wervelen erin rond. Ze tuimelen als gewichtsloos op en neer. Ze sterven langzaam als geplukte bloemen en verspreiden bij die ontbinding hun voedingsstoffen. Zonder flinke dosis voetstappen lopen benen leeg. Lege benen zijn zelfs te zwak een mens overeind te houden. Opgeladen benen zijn onontbeerlijk om de wil contact te laten maken met de fysieke wereld.

2. Liefkozingen
Het verzamelen en thuisbrengen van voetstappen is een bevredigende bezigheid. De beweging die er voor nodig is vereist inspanning van hart en longen. De combinatie van inspanning en onmiddellijke, gelijktijdige bevrediging is zeldzaam. Het is een gebeurtenis die kan leiden tot het ontstaan van een tijd-luwte. Het wegvallen van de anders overheersende beleving van het verstrijken van de tijd. Deze bedwelmende kwaliteit maakt het ophalen van voetstappen tot een liefkozing voor hart en longen. Ze werken en ontvangen meteen kruimels eeuwigheid.

3. Onderwijs
Gehoor geven aan de roep van voetstappen is een stap in de richting van het onbekende. Het is een opgave te leren waar vandaan die roep komt. Niet zelden van onbekend terrein. Het feit dat men daar niet als willekeurige passant komt, maar als redder van de eigen voetstappen, opent de ogen, oren en andere zintuigen. De vraag dringt zich op wat de voetstappen hier doen. Waarom zijn ze juist hier en in deze looprichting ontkiemd? Zo verzamelt men met de voetstappen een grote en gevarieerde schat aan gegevens over het terrein. Maar de ware informatie schuilt in de pogingen die een verzamelaar doet antwoord te geven op de vraag wat et betekenen kan dat zijn voetstappen hem juist hier liggen te roepen. Dat die pogingen alleen leiden tot zelf-analyse is gezichtsbedrog. Als moed een deugd is, dan is hierbij het daarmee corresponderend deel van het geweten actief. De pogingen iets van het ontstaan en roepen van onze voetstappen te begrijpen gaan niet over onszelf, maar over dat deel van de wereld dat we kunnen worden door ze op te halen.