
Met een proefschrift onder de titel Ubusing Culture, promoveerde Marieke Dubbelboer (1977) vorige maand tot doctor in de Letteren aan de Rijksuniversiteit Groningen.
De ondertitel van haar proefschrift luidt: Alfred Jarry’s subversive poetics in the Almanachs du Père Ubu. Nu is het werk van Jarry, afgezien van het bekende toneelstuk Ubu Roi, al nauwelijks bekend, maar zelfs onder de liefhebbers van zijn bizarre werk gaat maar weinig aandacht uit naar de Almanakken van resp 1898 en 1901. Liever leest men de romans Superman en Messalina, of het befaamde Gestes et Opinions de Docteur Faustroll, ‘pataphysicien, roman néo-scientifique, dat de grondslag vormt voor een onderstroom in kunst en literatuur, aangevoerd door het Collège de Pataphysique. In Nederland bestaat de Nederlandse Academie voor Patafysica, (N.A.P.) ook wel Bâtafysica, die vergelijkbare tendenzen in kunst en letteren in kaart brengt en verzamelt.
Wat maakt het de moeite waard om studie te maken van die Ubu-almanakken? Dat maakt Dubbelboer zonneklaar in haar heldere geschrift. Na een aantal jaren aansluiting te hebben gezocht bij de deftiger vleugel van het Symbolisme, zoals de door hem bewonderde dichter Mallarmé, merkt Jarry dat zijn werk te provocerend en radicaal is om in die kringen te worden uitgegeven. Zelfs de tijdschriftredacteuren die tot zijn intieme vrienden behoren verklaren dat zijn werk te vreemd en duister is voor hun blad en uitgeverij. Jarry zoekt andere kanalen en adopteert de vorm van de almanak. Wij kennen alleen nog de Enkhuizer Almanak, maar in de 18e en 19e eeuw waren er ieder jaar weer honderden van dergelijke publicaties. Een mengsel van reclame, weersvoorspellingen, astrologische artikelen, vermakelijke verhaaltjes, recepten, huishoudtips en bizarre weetjes. Jarry’s manier om zich de almanak-vorm toe te eigenen analyseert Dubbelboer als een eigenzinnige en hardhandige bevrijding van de literaire verbeelding. Allerlei eigenschappen van kunst en literatuur die we associëren met de avant-gardes van futuristen, dadaïsten, surrealisten, kubisten, zijn al te ontwaren in dit werk. De radicale vermenging van intellecuele poëzie en tekstflarden uit de volkscultuur of de boulevardpers; de versmelting van genres; het spelen met verwijzingen naar het alledaagse stadsleven met reclame, nieuws, schandalen. De oneerbiedige fragmentatie van de klassieke denkbeelden over schoonheid en verhevenheid in de kunst.
Dubbelboer toont aan dat de almanakken een van de allervroegste voorbeelden van literaire collage zijn. Ze zijn ontstaan in een milieu dat een tegencultuur vormde, een mengsel van bohème, uitgaanscultuur, mislukte en miskende schilders en dichters, muzikanten, politieke randfiguren en ritselaars. Het zijn kluchtige, soms onbegrijpelijke, maar altijd overrompelende boekjes. Dankzij Dubbelboers onderzoek is nu te zien hoe Jarry van zijn almanakken ook groepswerk maakte en musici en kunstenaars liet meewerken en bijdragen. Je leest hoe vilein en geestig de almanakken inspelen op de politieke actualiteit (vooral de Dreyfus-affaire die het land en vooral de intelligentsia scherp verdeelde). Maar ook, hoe soepel Jarry die middelpuntvliedende en niet eens onder zijn eigen naam gepubliceerde boeken gebruikte als een volgende stap in zijn literaire ontwikkeling. Alle gekkigheid en actualiteit ten spijt, hij blijft zijn eigen mythologie en personages trouw.
Waardevol werk, dus, dit proefschrift. Inspirerende kost voor Bâtafysici en andere liefhebbers van avontuurlijk schrijven. Toen ik het uithad slaakte ik een diepe en zucht en vroeg me af, waar de Jarry’s van vandaag (waarschijnlijk als een groepje op het internet) werkzaam zijn.