Dit is de bronzen wandsculptuur Energie en Tijd, in 1962 gemaakt door Hans Verhulst (1921-2005). Het is te zien aan de zijmuur van het trafohuis aan de Marnixstraat in Amsterdam, aan het eind van de Lauriergracht.
Dit werk houdt me al een tijd bezig. Mijn oog viel er op tijdens het tanken van onze grachtenboot, bij de Texaco-pomp onder de parkeergarage ernaast. Iedere keer als ik het zie sta ik paf. Het ding lijkt afkomstig van een andere planeet. Het roept verwondering en lachlust op.
Des te vreemder is het te leren dat dit de oorspronkelijke plek is waar het werk voor is gemaakt. Dat trafo-huis staat aan het eind van een met hoge hekken afgesloten kade. Om daar een abstract reuzenreliëf van brons aan vast te schroeven met de hooggestemde titel Energie en Tijd is een individuele en collectieve daad van genereus, kunstminnend vooruitgangsgeloof. En navenant hopeloos grappig. Het roept tegelijkertijd bewondering (voor de onbevangenheid en overtuigheid van eigen esthetiek en het maatschappelijk belang ervan) en deernis op. Hoe het daar hangt, hulpeloos in zijn onverstaanbaarheid, weggemoffeld op een kloteplek waar niemand kan komen en vrijwel niemand het kan zien.
Het is het resultaat van een misverstand, misschien, of een overblijfsel uit een vervlogen tijd, maar het levert een klein wonder op, dat de vraag of dit mooi of lelijk is (het is het allebei, je hoeft maar met je ogen te knipperen) met gemak passeert. Het is groots in zijn verlorenheid en onzichtbaarheid. Het geeft niet eens aanstoot omdat volgens mij nog geen tien mensen in de stad weten dat het bestaat. Het hangt niet in de weg.
Ik moet eerlijk toegeven dat ik er van ben gaan houden. Niet alleen om die tragi-komische en vergeefse grandeur die het heeft, maar ook om de vormen waaruit het bestaat. Het lijkt een 3D verbeelding van meetgegevens uit een elektrisch laboratorium, van grafieken en meetapparatuur. Maar dan opgevat als dans. En ook de hoop die eruit spreekt dat het uitbeelden van de schoonheid daarvan goed voor de mensen is. Het is min of meer onbevattelijk in zijn poging om met van die lompe oxiderende hompen metaal de poëzie van energie en tijd op te roepen. Veel mensen zouden misschien eerder aan resten van een mammoet-skelet denken.
Het is een zwierig en goed gemaakt ontwerp. Er zit onmiskenbaar een evenwicht in het ding: open en gesloten, spits en breed, iets van ritme door die twee horizontale balkjes. De subtiel gekantelde vlakken trekken het oog. Ook lijkt het ding twee richtingen op te wijzen. Het gevaarte is werkelijk driedimensionaal, het zweeft een kleine meter voor die bakstenen muur, aan een stuk of tien staven. Het speelt een spel met licht en schaduw, maar wordt daarin door de lokatie enorm tegengewerkt: vrijwel niemand kan dicht genoeg bij komen. De beste manier het te zien is vanaf het water, als je er vlak langs vaart of aanlegt en illegaal aan wal gaat.
De tijd waarin de overheid dit soort kunst bestelde en aan GEB-huisjes hing is eindeloos lang geleden. De afstand tot de woorden Energie en Tijd is belachelijk groot. Wat rest is een prachtig voorbeeld van enthousiaste, verloren, vergeten kunst. Idealistisch en lachwekkend. Serieus en tragisch. Kundig en mallotig. Mooi en heldhaftig on-mooi tegelijk.Het is een magistraal teken, maar waarvoor? Wie het ziet, op een heldere dag, aan die nederige bakstenen blinde muur, kan dat geen moer meer schelen.






