Kort begin van een lang afscheid.
Over het uitgedroogde gazon kwam een jongen aanlopen. Een kersverse student, in een verschoten spijkerbroek, een geel t-shirt en een colbert van gebroken witte manchester stof. Hij wist dat hij bekeken werd, dat was op te maken uit de stoere, wat stijve tred waarin hij toch iets zwierigs legde. Uit de linkerzak van het jasje stak een boek, een rode pocket.
Toen hij het gazon bij de kampeerboerderij was overgestoken zocht hij een stoel, haalde een zonnebril uit zijn binnenzak, zette die op en begon vervolgens een sigaret te rollen. Javaanse Jongens-shag in de smalle papieren verpakking.
Het was het eind van de zomer van 1978 en we bevonden ons op Ameland. Ik was er als student-assistent van de lector aan de Rijksuniversiteit Groningen, die verantwoordelijk was voor de introductie van de nieuwe filosofie-studenten, een stuk of veertig. Die introductie-weken begonnen met een weekend op het eiland, om kennis te maken met elkaar, het vak en de docenten van het filosofisch instituut.
Ik ging bij de lezende jongen zitten. Hij stelde zich voor als Marten en hij ging met graagte in op mijn vragen naar het boek dat hij las. Al snel was duidelijk dat ik een geestverwant had gevonden. Het mag gek klinken, maar dat gebeurde niet zo vaak. Ik was aan de filosofie-studie begonnen uit een hang naar algemene ontwikkeling, om achtergrond-informatie op te doen bij de literatuur, kunst en films die me bezig hielden. De studie stelde niet teleur, maar niemand van mijn mede-studenten leek mijn interesses te delen. Ze waren uitgeloot bij medicijnen of ze wilden revolutionair-marxistisch intellectueel worden of ze zochten de zin van het leven na een mislukte reis naar India.
Maar Marten had Peter Handke’s Kurzen Brief zum langen Abschied op zak. En nog wel in het Duits. Alles wat hij erover vertelde klonk beter dan wat ik van Handke gelezen had. Het boeiendst was dat het over een Europeaan ging die van Oost naar West door Amerika reisde, om te veranderen en alles om zich heen nauwkeurig waarnam, in de hoop aan zijn reacties en gedachten te kunnen aflezen dat hij een ander aan het worden was. Hij werd achtervolgd door een ex-vriendin, die hem zelfs probeerde te vermoorden. Behalve de observaties van het Amerikaanse leven en de landschappen waren het de films van John Ford die als ijkpunt dienden. Kortom, ik zou het boek snel kopen en lezen en dan zouden we het er over hebben. Marten (die zich een jaar later al Martin noemde) was een jongen van negentien, ik een jongen van eenentwintig.
Dertig jaar later moet ik voor mijn werk in New York zijn. In Amsterdam loopt Martin op zijn laatste benen. Al een jaar lang ligt er een koude loden plaat in mijn maag als ik aan hem denk. Die is dan weer verdwenen als ik met hem zit te praten, of wandel of eet en drink. Maar de laatste weken wordt het gewicht zwaarder en zwaarder. De emails die we uitwisselen bestaan grotendeels uit beloftes: gauw, zometeen, straks, als je terug bent. Tegen beter weten in, want ik vrees dat we elkaar niet meer zullen zien.
Op een zonnige vrije middag loop ik een boekhandel in Greenwich Village binnen. Op de tafel met nieuw-verschenen boeken ligt Peter Handke’s Short Letter, Long Farewell, met een voorwoord van Greil Marcus. Ik lees het die nacht uit, om de paar uur rekenend hoe laat het is in Amsterdam.
In helder, ironisch Engels dwaalt Handke’s blik door een verdwenen Amerika. Langs New Yorkse trottoirs, parkeerterreinen in Maryland, etende mensen in restaurants langs de snelweg, over slapende kinderen en langs ruzieënde echtparen. Ja, aan het eind is hij minder door zichzelf geobsedeerd en een ander geworden. Het boek eindigt aan de voeten van de oude John Ford, die de verteller en zijn ex eenvoudige menselijke waarheden over het leven en verhalen vertellen voorhoudt.
Het enige dat ik erin lees is de weg die Martin heeft afgelegd van het grasveld op Ameland naar zijn rol van schrijvende troubadour. Van de vormeloze, eindeloze ‘Brils Berichten’ die hij schreef (en waaruit hij brieven, artikelen en hele romans knipte, plakte en kopieerde) naar die dagelijkse krantencolumn, die zijn schrijven en zijn leven de vorm en het houvast gaf, die hij nodig had. Op zijn best in eenzaamheid, onderweg van A naar B, maar nooit langer dan een dag zonder lezers.
Een paar dagen later regent het als ik met de subway naar huis ga na een lange werkdag. Het schemert in de drukke, natte straten van New York. In de supermarkt op Lexington Avenue gaat mijn telefoon. Tussen de waterflessen en de wand wc-papier ga ik op de grond zitten en luister naar de snikkende stem die vertelt dat Martin is overleden.
Toen we in 1987 schreven aan ons debuut Arbeidsvitaminen was ons devies dat je moest schrijven vanuit het nederige besef dat boeken slimmer waren dan de schrijvers die ze schreven. Als ik weer opsta van de grond in de supermarkt is de loden plaat in mijn maag zwaar maar warm. In de zak van mijn jas zit Peter Handke’s Short Letter, Long Farewell.
Vaarwel, jongen.
