Epistrophy en Valentin Brû
Als Valentin Brû ergens mee in zijn maag zit dan is het wel dattie bestaat. Waar is dat goed voor? En wat moet je doen als je een keer bestaat? Geen flauw benul. Maar Valentin is de beroerdste niet. Hij is een goedmoedige en opgewekte kerel. Niet al te ambitieus. Of eigenlijk zo passief as de pest, maar wel iemand die de dagelijkse gang van zaken en de noodzaken des levens behoorlijk sportief opvat. Nou en of. Gek op vegen en bezemen (daarbij kun je heerlijk wegdromen en alles wegvegen waaraan je denkt) lekker eten, een film op zijn tijd en veel tijdschriften lezen. Bij voorkeur Marie Claire. Al was het maar om goed op de hoogte te zijn van wat er onder de mensen leeft.
De mensen die de klanten zijn van zijn lijstemakerij, of zijn praktijk als waarzegster, want hij blijkt een gave te hebben als kaartlegster, verkleed als Madame Saphir. Een man kortom, die het leven bekijkt en leeft alsof het eeuwig zondag is. Valentin is dan ook de hoofdpersoon van Raymond Queneau’s roman La dimanche de la vie (De zondag des levens), uit 1952.
Valentin beweegt zich aan gene zijde van de onderscheiding tussen dom en intelligent, tussen plat en verheven, tussen naief en cynisch. Op het eind van het boek piekeren de mensen in zijn omgeving of hij een heilige is, of een asceet, of dat hij helderziend is. Samengevat: ‘wat een kerel…’
De zondag des levens van Queneau klinkt als Epistrophy van Thelonius Monk. De tientallen versies van dat nummer gedragen zich net als het proza in dit boek: het springt, grillig, maar met een drang en logica die onweerlegbaar is. Er lijkt veel weggelaten en overgeslagen, zodat het lijkt alsof het publiek gedold wordt. Is dit te volgen of wordt iedereen die het probeert te volgen het bos in gestuurd?
Nee, want Valentin en de piano van Monk leggen weliswaar niets uit en al helemaal niets bloot aan de wereld, het leven of de mens, ze schetsen met hun schotse, scheve sprongen wel een nieuwe wereld. Een zondagse versie van de wereld, waarin kinderlijke kermis-verwondering en een verpletterend honds, bijkans nihilistisch inzicht in het mensengedoe hand in hand gaan. Zachtmoedig en volstrekt compromisloos. Zoals de melodie van Epistrophy uit losse, wegijlende lijnen bestaat, blij en verdwaald klimmend in de drukke stad; zo opgetogen en overtuigd van de totale ondergang van de wereld dobbert Valentin in het Parijse winkeliersmilieu aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.
De grondtoon van beide is: mij niet gezien, wegwezen. Niet door het banale menselijke gehannes te ontkennen. Dat is onmogelijk! En ook niet door je neer te leggen bij het platte escapisme dat ons geboden wordt. Dat zou je eer te na zijn en treurig stemmen bovendien. Nee, door al dat gehannes, die slappe vluchtpogingen om te toveren tot een feestje. Door het leven te verknippen, binnenstebuiten te keren, ermee te goochelen.
Kijk eens, alles wat onverdraaglijk was bloeit! Het is nog even grimmig en zwaar, maar het danst en maakt dat we kunnen glimlachen. Queneau’s roman en Monk’s Epistrophy wekken een vluchtig moment van vrijheid op; iets van onschatbare waarde.

