Dirk van Weelden

December 31, 2007

Nacht aan de Herengracht

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 5:05 pm

Een dag en een nacht bivakkeerde ik in het leegstaande stadspaleis aan de Herengracht nummer 609. In een pas verblindend wit geschilderde kamer had ik een veldbed neergezet. Daarop zat ik door mijn papieren te bladeren, de oogst van maanden archiefwerk. Ik schreef op mijn schootcomputer en luisterde naar de koude harde handen van de wind die aan de ramen en luiken rammelden.

Om de paar uur maakte ik een ronde door het huis, van zolder tot kelder, van voor naar achter. In de ene hand een iPod met een microfoontje erop, om alles wat me te binnenschoot meteen te kunnen bewaren. In de andere hield ik een camera. Deze foto maakte ik in de grote salon met de vijf meter hoge spiegels in vergulde lijsten en de plafondschildering op doek met een hemelsblauw gat in de wolken en een vergadering van goden en engeltjes.

Ik zocht een plek om de oude Gerrit Hooft tegen te komen. De man die als jong en veelbelovend regent van de stad dit huis kocht en er met zijn vrouw Catherina Witsen en hun dochter Isabella van vijf kwamen wonen. Ik wilde hem zien in deze zaal, in een decembernacht, in het laatste jaar van zijn leven, als hij zeventig is. Inmiddels is hij getrouwd met een derde vrouw, de eerste twee zijn overleden. Alleen de eerste heeft hem kinderen geschonken. Vier zijn er als jong kind gestorven. Isabella toen ze een tiener was. De zoon die in 1750 geboren werd en van wie hij, net als iedereen zoveel verwachtte, de opgewekte, beminnelijke, idealistische Gerrit jr., is als achttien jarige jongen in dit huis aan de pest bezweken. Dat is alweer meer dan tien jaar geleden en de door kwalen geplaagde man voelt zijn einde naderen. Hij is dagelijks bezig zijn nalatenschap op orde te brengen. Omdat zijn geslacht met hem uitsterft vermaakt hij het meeste aan zijn nicht Constantia Elias.

Ik kwam in de salon, zette de deur naar de voorkamer op een kier en liep achteruit. Hier. Zou hij hier kunnen verschijnen? Ik twijfelde.

De lichtsensor van de camera gaf aan: te weinig licht, je moet flitsen. Liever schakelde ik de extra lichtgevoelige stand in. Een vager beeld, maar met behoud van het licht en de kleuren die ik zelf zag.

Het resultaat was veel beter dan wat ik zelf dacht te hebben gezien. De camera gaf mij een plek cadeau die ik met het blote oog niet had kunnen vinden. De foto heeft diepere kleuren, een suggestieve onscherpte, en vooral een samenhang waaraan het mijn blik ontbrak. Dankzij de camera geeft de zaal bij avond een moment prijs dat onderdeel van een reeks gebeurtenissen lijkt te zijn. Ik zag een mooi belichte zaal, iets om vast te leggen. De camera gaf me een scene, een plek waar iets gebeuren zal. Kijk maar, daar komt hij, de oude Hooft, je kunt hem bijna zien, twee honderd vijftig jaar na zijn dood. De kromme, zwaarlijvige Amsterdamse burgemeester kan ieder moment uit het duister achter de openstaande deur tevoorschijn stappen. De ondertekende papieren in de ene hand, de pruik in de andere. Hij zal zuchten en zich omdraaien, even roerloos luisterend of hij nog anderen hoort die wakker zijn.

December 21, 2007

Witte tunnel

Filed under: Lopen — Dirk van Weelden @ 5:32 pm

Op de fiets terug van de bibliotheek voel ik hoe de ijzige wind mijn tenen doet verstijven. De huid op mijn kaken trekt strak. Rillend kom ik het huis in, de harde handen van de winter nog voelbaar aan mijn slapen.

Zelfs bij een mok thee blijven mijn handen koud en kruipt er met regelmaat een rilling over mijn rug. Misschien komt het omdat ik in mijn geschiedenisboek blader en af en toe opkijk, naar buiten, waar de auto’s met witte kuiven passeren, de mensen schuifelen over een laag sneeuw en de lucht roerloos en loodgrijs neerdrukt op de stad.

Toch wordt het bladeren lezen en slaan de zinnen hun armen om me heen. En ergens in het prille begin van de negentiende eeuw, in verpauperde binnensteden, winterse vlaktes waarin geplunderde dorpen achterblijven terwijl een Napoleontisch leger verder trekt op schonkige paarden, de kanonnen waggelend over de bevroren modder, denk ik aan de schoenen die ik vorige winter kocht. De slanke terreinschoenen met lange rubberen noppen. Engels fabrikaat, bedoeld voor de veldloop.

Tien minuten later verlaat ik het huis en bespeur al de eerste glimp van mijn betere humeur als ik merk dat mijn pas soepel is en mijn hartslagfrequentie laag. Het olieachtige water in de brede vaart, de dromerig cirkelende meeuwen en de bomen met hun berijpte takken kan ik nu pas waarderen, nu ik hardlopend de stadsrand opzoek.

Achter het park, voorbij de volkstuinen en de spoordijk is een bospad. De bomen hangen eroverheen en ook de grond is besneeuwd. Ik loop een witte tunnel in en wordt gelukkig. Mensen die teruggekeerd zijn van de rand van de dood berichten van hun zweeftocht naar het licht aan het einde van een donkere tunnel.

Dit is veel mooier. Op mijn eigen goede benen, in een rustige en krachtige looppas verlaat ik de koude donkere wereld en ga op in een lichtgevend bos. Ieder takje, iedere stronk, zelfs de afgestorven bramenstruiken zijn helwit en donzig edelmetaal geworden. Ik word warm en vergeet zelfs even te ademen. Geen bijna-dood-ervaring, nee, het is eerder alsof ik bijna volledig tot leven kom. Bijna leef ik werkelijk oftewel, ga ik zelf lichtgeven. Iets in mij staat op uit het graf.

Dan kom ik op het knobbelige weiland en baan ik me zigzaggend tussen hardbevroren molshopen door een weg naar het fietspad. De kantoormensen kleumend op hun fietsen op weg naar het station. Verderop de bestelwagens met elektriciens en stucadoors op de terugweg naar Volendam en Purmerend. Mij deert het niet meer. Mijn hardlopende benen hebben hier iets opgehaald waarmee ik me wapenen kan tegen de invallende duisternis.

December 14, 2007

Stucadoor

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 12:17 am

Een paar jaar geleden had ik een stucadoor over de vloer. Schreef ik dit.

Een kinderkamer moet worden opgeknapt. Eerst de houten schrootjes van de muren slopen, balken afbeitelen, elektra omleggen, halve centimeter steen afbikken op plekken waar vroeger schoorstenen hebben gezeten en honderden tien centimeter lange spijkers uit de muren trekken. Hout klein hakken, opbinden en afvoeren.

Dit alles om de stucadoor ruim baan te geven die, als alles klopt, vanmiddag de kamer een heel nieuw aanzien gaat geven. Het is een kleine, gedrongen man van tegen de zestig. Wenkbrauwen en dunner wordend haar in licht mahonie-bruin gespoeld. Want, mijn stucadoor is een verstokte vrijgezel, een ladies’ man.

Hij heeft, net als een aantal vrienden en zijn broer Jo, een Surinaamse vriendin. Vanochtend heb ik met hem gipsplaten en betengeling gedaan. Zagen, meten, schroeven. Onderwijl vertelde hij zijn wijsheden. Ongebonden Surinaamse vrouwen zijn er in overvloed en ze zijn gewillig. Maar je moet wel zorgen dat ze in Suriname blijven. Hij heeft er zo’n twaalf gehad, zegt ie, Surinaamse vriendinnen. Maar steeds kwam het er op neer, dat ze zo snel mogelijk met hem wilden trouwen, een paspoort verwerven en naar Nederland komen. Dat moet je weigeren, zegt hij.

Acht maanden had hij een vriendin, die hij per adverttentie had ontmoet in Paramaribo. Ja, had hij na een minuut of vijf gezegd. Het klinkt goed, je bent weg bij je man, die je sloeg en dronk, die geen geld gaf voor de kinderen, je hebt een baan. Maar hoe weet ik dat het verder goed zit, met koken, het huishouden en in bed? Ben je goed in bed? Ja, had ze gezegd. Hoe doe je het dan met je man? Nou gewoon, zei ze.

Neenee, dat zegt me niks, had de stucadoor uitgeroepen, je hebt vast nog nooit met een blanke man geneukt, dus dat moet blijken. Doe je kleren uit en ga maar in bed liggen, dan ga ik even douchen en dan proberen we eerst uit of het goed zit in bed, dan kijken we verder. En ja hoor, vertelde hij met zijn kleine blauwe glunder-oogjes, vijf minuten later lag ze in bed.

Zoiets maak je hier niet mee! Alles doen ze voor een paspoort! Maar na acht maanden wippen en zeuren en zeuren en wippen, had ze er genoeg van en was verdwenen. Ze belde me wel nog, ze had een ander, ook een Nederlander, die goed voor de kinderen zorgde, haar iedere dag naar haar werk buiten de stad bracht, de auto’s van haar broers opknapte, en ervoor zorgde dat ze een paspoort kreeg, door met haar te trouwen. Toen alles in kannen en kruiken was vertrok ze met de noorderzon. Die man is nu door dolle heen. Hij had de stucadoor verteld dat hij al drie keer de remleidingen van de auto’s van haar broers had doorgeknipt en de hele familie radeloos maakte met zijn woedende telefoontjes.

Nee, ook de broer van de stucadoor was erin getuind. Zelfde verhaal. Het was eigenlijk al na een paar maanden duidelijk. Zijn broer was naar Nederland, hij bracht dan die vrouw naar haar werk en hij zei, je kon merken dat ik zo met d’r had kunnen wippen. Mooie vrouw, daar niet van, je doet het niet omdat het je broer is, maar je weet wel meteen dat het niet goed zit.

Nu had ie een heel fijne Surinaamse, leek wel een filmster, twee en dertig jaar! Fantastisch wippen. Maar om het huis in Suriname te kunnen laten verbouwen (werken bij dat hete weer deed hij liever niet! en de lonen waren daar vreselijk laag) kluste hij nu in Nederland. Want zoals gezegd, Surinaamse vriendinnen, je kunt ze makkelijk krijgen, omdat die Surinaamse kerels zo bazig zijn, vrijwel nooit lief zijn, zuipen en slaan, de kinderen verwaarlozen en vreemd gaan.

Vooral die Hindoestaanse mannen zuipen iedere dag, en dan moet die vrouw met de benen wijd en dan slaan ze haar als ze niet meedoet. Dat zou ik niet kunnen, verklaart de stucadoor, als er ruzie is moet het eerst weer goed zijn voordat je seks hebt. Zo doen wij dat in Europa, zeg ik dan. Slaan doen we niet. Daarom. Als Nederlandse man heb je altijd leuke vrouwen om je heen in Suriname, maar je moet oppassen. Je moet ze daar laten, anders zijn ze zo weer gevlogen.

Ja, mijn stucadoor stond zijn mannetje in de oeroude strijd tussen de sexen. Ik was blij dat hij klaar met smeren was.

December 9, 2007

Epistrophy en Valentin Brû

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 12:54 am

Als Valentin Brû ergens mee in zijn maag zit dan is het wel dattie bestaat. Waar is dat goed voor? En wat moet je doen als je een keer bestaat? Geen flauw benul. Maar Valentin is de beroerdste niet. Hij is een goedmoedige en opgewekte kerel. Niet al te ambitieus. Of eigenlijk zo passief as de pest, maar wel iemand die de dagelijkse gang van zaken en de noodzaken des levens behoorlijk sportief opvat. Nou en of. Gek op vegen en bezemen (daarbij kun je heerlijk wegdromen en alles wegvegen waaraan je denkt) lekker eten, een film op zijn tijd en veel tijdschriften lezen. Bij voorkeur Marie Claire. Al was het maar om goed op de hoogte te zijn van wat er onder de mensen leeft.

De mensen die de klanten zijn van zijn lijstemakerij, of zijn praktijk als waarzegster, want hij blijkt een gave te hebben als kaartlegster, verkleed als Madame Saphir. Een man kortom, die het leven bekijkt en leeft alsof het eeuwig zondag is. Valentin is dan ook de hoofdpersoon van Raymond Queneau’s roman La dimanche de la vie (De zondag des levens), uit 1952.

Valentin beweegt zich aan gene zijde van de onderscheiding tussen dom en intelligent, tussen plat en verheven, tussen naief en cynisch. Op het eind van het boek piekeren de mensen in zijn omgeving of hij een heilige is, of een asceet, of dat hij helderziend is. Samengevat: ‘wat een kerel…’

De zondag des levens van Queneau klinkt als Epistrophy van Thelonius Monk. De tientallen versies van dat nummer gedragen zich net als het proza in dit boek: het springt, grillig, maar met een drang en logica die onweerlegbaar is. Er lijkt veel weggelaten en overgeslagen, zodat het lijkt alsof het publiek gedold wordt. Is dit te volgen of wordt iedereen die het probeert te volgen het bos in gestuurd?

Nee, want Valentin en de piano van Monk leggen weliswaar niets uit en al helemaal niets bloot aan de wereld, het leven of de mens, ze schetsen met hun schotse, scheve sprongen wel een nieuwe wereld. Een zondagse versie van de wereld, waarin kinderlijke kermis-verwondering en een verpletterend honds, bijkans nihilistisch inzicht in het mensengedoe hand in hand gaan. Zachtmoedig en volstrekt compromisloos. Zoals de melodie van Epistrophy uit losse, wegijlende lijnen bestaat, blij en verdwaald klimmend in de drukke stad; zo opgetogen en overtuigd van de totale ondergang van de wereld dobbert Valentin in het Parijse winkeliersmilieu aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

De grondtoon van beide is: mij niet gezien, wegwezen. Niet door het banale menselijke gehannes te ontkennen. Dat is onmogelijk! En ook niet door je neer te leggen bij het platte escapisme dat ons geboden wordt. Dat zou je eer te na zijn en treurig stemmen bovendien. Nee, door al dat gehannes, die slappe vluchtpogingen om te toveren tot een feestje. Door het leven te verknippen, binnenstebuiten te keren, ermee te goochelen.

Kijk eens, alles wat onverdraaglijk was bloeit! Het is nog even grimmig en zwaar, maar het danst en maakt dat we kunnen glimlachen. Queneau’s roman en Monk’s Epistrophy wekken een vluchtig moment van vrijheid op; iets van onschatbare waarde.

December 8, 2007

Een lied

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 1:31 am

Laat ik het simpel houden. Dit is een lied van Chris Knight uit 2003. Muzikaal gesproken is het zo ongeveer klassieke Americana. Gitaar en zang. Een rustige finger picking style en een wat gruizelige stem zonder irritante country-versieringen.

Het lied vertelt over pachtboeren die tussen 1929 en 1941 verdreven werden van hun land omdat zand- en stofstormen hun bouwgrond en boerderijen begroeven. Oorzaak: overmatige ontginning van graslanden en bossen voor de landbouw en jarenlange droogte. Oklahoma, maar ook grote delen van Kansas, Arkansas en Texas veranderden in een zandwoestijn. Armoe, hongersnood, doden en epidemieen, volledige instorting van de landbouw. Tijdens die jarenlange ramp, The Dust Bowl genoemd, sloegen ongeveer een half miljoen mensen op de vlucht. Meestal richting Californië. De omstandigheden waar de vluchtelingen in terecht kwamen onderweg en in Californië waren bar en boos. De geschiedenis, de drama’s die bij deze natuurramp van menselijke makelij horen kun je lezen in The Grapes of Wrath van Steinbeck, en zien in de foto’s die Walker Evans van deze gebeurtenissen maakte.

Er zijn sinds de jaren dertig natuurlijk veel liederen gemaakt die dit typische arme mensen-leed bezingen. Meestal zijn ze niet te harden. Te klef patriottisch, of juist weer te plat links-politiek.

Het vaakst zijn het plastic aandoende smartlappen waarin kinderen sterven in de armen van hun moeder aan de rand van de weg. Een lied over dit onderwerp is goed als het oproepen van het leed niet gladgestreken wordt door de interpretaties achteraf. En de tekstdichter het sentiment in toom houdt.

In dit lied doet de tekst hetzelfde wat de muziek doet: tegelijkertijd een beeld van vertrek/beweging en een moment van stilstand oproepen. In het refrein hoor je de energie die hoort bij de aftocht en de hoop op iets beters. Maar in de coupletten klinkt een steeds terugkerend, in mineur gesteld loopje, dat stilstand en twijfel suggereert. In de tekst tref je haarscherpe beelden aan, die allemaal de rauwheid en onherroepelijkheid van de gebeurtenissen tekenen.

Het afscheid van een plek die al dood is: de put is met zand gevuld, het land onvruchtbaar. De reis gaat per gammele wagen, waarvan onzeker is of hij het redt. Kinderen schuilen tegen kou en zand bovenop de gestapelde meubelen onder een zeiltje. Hardened faces damn the dust and curse the wind. En onderweg wordt de vluchteling opgelicht en uitgescholden door fellow-Americans. Something’s telling me the promised land’s not as promising as it seems. Mooie naief-ironische zin.

De kracht van het lied zit h’m in die pijnlijke stilstand, de constatering dat de verteller en zijn familie ontheemd zijn, en geen plek, geen leven hebben. Maar die vaststelling vindt plaats onderweg, tijdens de reis naar Californië, waarvan beloofd is dat er werk en dus een nieuw leven is. De verteller is wantrouwig, maar toch ook geneigd te geloven in de zegeningen van het beloofde land.

Het punt dat de verbinding vormt tussen de verloren wereld en het nieuwe begin is onheilspellend, een beeld dat angst verraadt. In zijn dromen wordt hij achtervolgd door het beeld van een kapotte ploeg met bloed op het handvat.

Land verliezen is een ramp, maar niet onoverkomelijk. Vreselijk is het verlies van zijn ‘life’s blood’. Oftewel de primitieve kracht om tegen beter weten in optimistisch te zijn en hard te werken. De gave van het zelfbedrog. Broken Plow is een historische miniatuur, maar het geeft indringend beeld en geluid aan de bitterheid en de verlorenheid, die schuilen in het hart van het energieke Amerikaanse optimisme. Chris Knight zingt die regels (de richel waar het sentiment loert) zonder pathetisch rubato of vibrato. Juist droog en bijna achteloos, zo dat ze meer kunnen betekenen.

Chris Knight
Broken Plow
(van de CD The Jealous Kind, 2003)

Broken Plow

Load up the old Dodge truck
We’ll leave what we can’t sell
Cause who needs a sharecropper’s tools
Or a dust filled well.
Take you one last look around
And shed you one last tear
For the broken plow, the broken dreams
The life we’re leaving here

Pull the lines down tight
The kids can ride on top of the load
In the cool of the night
They can crawl underneath the tarp
to stay of the cold
Eleven hundred miles of mountains and sand
We’ll cross them tired and torn
If this beat up truck can carry us
Far enough away from the storm

(refr) We’re going to California there’s work there for a man
Too proud to beg for charity, too poor to make a stand
I pray it’s just the land we’re losing
Not my life’s blood that I leave
On the handles of that broken plow
That haunts me in my dreams

A man at a roadside station
Don’t like dealing with my kind
He’d beat me out of my last dollar
Never looked me in the eye
I heard him call us Okies
Hell, I don’t know what that means
But something tells me
The promised land ain’t as promising as it seems.

We’re going to California…

This restless road is full of strangers
They ain’t no stranger here than me
Hardened faces damn the dust and curse the wind
That drove us from this life and home
We’ll never see again

We’re going to California….
….
Not my life’s blood that I leave
On the handles of this broken plow
That haunts me in my dreams

Powered by WordPress