Dirk van Weelden

October 11, 2007

Bâtafysisch tuinieren

Filed under: Bâtafysica — Dirk van Weelden @ 10:57 am

Het Friesch Dagblad bericht voorjaar 134 (vulg. najaar 2006) van een reeks branden die steevast alleen coniferen vernietigen. De gebeurtenissen vinden plaats in Joure, waar al maandenlang hagen affikken op soms wel vijf verschillende adressen per nacht en dat dagen achtereen; aan de Oosterstraat (vijftien coniferen), een uur later aan de Hettebaes, de Eeltjebaes en in de Kerkstraat. De volgende nacht is het raak in ‘t Kofschip en aan de Warring. Een man die zijn geliefde struik wil redden, raakt gewond. De inwoners van Joure dreigen een nachtwacht op te richten, maar de burgemeester verbiedt dat, ondanks de ernst van de situatie. Hij vreest eigenrichting.

Wat de inwoners van Joure zien als vandalisme is in feite een hogere vorm van tuinieren. De conifeer is in veel woongebieden zo algemeen en zo voorspelbaar aangeplant, dat hij onzichtbaar geworden is. Logisch dat er mensen zijn die ervoor ijveren de conifeer weer opmerkelijk, zeldzaam en wild te maken. Dit vuile en zware werk wordt in Joure bij nacht en ontij met onmiskenbare kunde en precisie uitgevoerd. Bovendien, uiterst discreet; niemand klopt zich op de borst als nachttuinier van Joure.

De bâtartist trakteert zijn stadgenoten op een feest voor het hele sensorium: de brandende conifeer is opwindend en mooi om te zien, knettert uitbundig en met een complexe ritmiek, ruikt heerlijk door zijn rijke voorraad harsen en straalt licht en koesterende warmte in de Friese nacht.

De dagdroom

Filed under: Beeld, Mini's — Dirk van Weelden @ 10:47 am

De kunstenaar Joseph Cornell woonde met zijn gehandicapte broer Robert even buiten New York. Om materiaal voor zijn collages te verzamelen maakte hij excursies naar Manhattan. In 1962 valt zijn oog op de cassiere van Ripley’s Believe it or Not Museum. Ze heet Joyce Hunter, hij noemt haar Tina. Hij ziet in haar een droom-elf, een abrikozen-meisje. Celibatair als hij is, obsedeert deze nymfijn hem hevig. Als hij haar ziet kan hij zo overrompeld raken dat bewegen en spreken onmogelijk worden. In zijn dagdromen verschijnt ze als onschuldige engel in een baby blauw jurkje. Soms is ze bijna zijn moeder, molliger en blonder dan de werkelijke Joyce. Cornell is dankbaar voor die verschuivingen en versmeltingen.

In 1964 trekt ze bij hem in. Een paar maanden later is ze verdwenen. Negen van Cornells beroemde dozen ook. Hij weigert een aanklacht in te dienen. In zijn ogen is ze onschuldig. Hij maakt een collage van haar en haar pasgeboren dochter; als een schattige roze rat met een jong.

Op 16 december stuurt Cornell een vriend naar het stadsmortuarium om haar lichaam te identificeren. Ze is uit het water gedregd en heeft twee steekwonden. Cornell laat haar in de buurt van zijn huis begraven. Hij huurt twee detectives in om het kind op te sporen, dat hij zou willen adopteren. De pogingen hebben geen succes.

October 8, 2007

Kabouterbestuur

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 11:42 am

Als reactie op Micha Hamels commentaar waarin hij vroeg hoe de kabouters te beheersen.

Het technische antwoord lijkt me: magnetische lading, positief dan wel negatief. In de kabouter-metafoor zou het iets moeten zijn waarmee je de kabouters bestuurt. Waar zijn kabouters gevoelig voor, zoals silicium (halfgeleider: in zeer zuivere vorm wordt silicium samen met arseen, boor, gallium en fosfor gebruikt voor de productie van halfgeleiders) voor elektromagnetische lading?

Denkend aan de vorm van kabouters en hun altmodische rurale verschijning, is mijn voorstel: worst. Of beter de hoop op worst. De programmeur zegt tegen de liggende kabouter: er komt worst! Die springt in de houding. Tegen een staande kabouter zegt hij: effe geen worst, man. Die gaat prompt liggen.

De crux van het programmeren is kabouters elkaar het gerucht van worst of geen-worst door te laten vertellen. Dan commanderen groepjes kabouters (die onderling radicaal verschillende verwachtingen hebben over de komst van worst) andere groepen kabouters een worstverwachtende dan wel worstvergetende houding aan te nemen. Hieruit valt af te leiden dat er bij deze kabouters twijfel noch geheugen is. Het zijn lege kabouters die samen iets betekenen (symbolisch naar iets verwijzen) dat in de digitale machine zelf nooit kan zijn.

Het virtuele karakter van de digitale wereld schuilt hierin, dat die worst er nooit komt. Of er nu op gehoopt wordt of niet. Worst kan, maar hoeft niet te bestaan.

October 7, 2007

Kabouters

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 10:09 pm

(poging de digitale machine aan kinderen te verklaren)

Toen computers net bestonden en zo groot waren als een huiskamer was het moeilijk om uit te leggen wat het nu precies voor machines waren. Er stond een groot zoemend apparaat en er tegenover zat een fronsende man aan een toetsenbord.

Als je wilde weten wat ie deed, zeiden de uitleggers: nu vraagt hij de computer iets. Een paar minuten of een paar uur later begon er dan ergens een bakbeest van een typemachine te ratelen. Als je vroeg wat er gebeurde, keken de uitleggers een beetje moeilijk, alsof ze tegen hun zin gingen liegen. Dan zeiden ze, uh, de computer heeft over de vraag nagedacht, en dit denkt hij ervan.

Geen wonder dat mensen het griezelig vonden en aan de keukentafel wel eens bezorgd waren over de toekomst. Dan mopperden ze tegen elkaar zoiets als dit: ‘Straks meneer, hebben wij mensen niks meer te zeggen. Dan zitten er computers in de regering en komt er weer een soort Hitler-tijd. De mensen die niet even gehoorzaam zijn als computers of robots verdwijnen in de gevangenis.’

Dat is tot nu toe reuze meegevallen. Mensen zijn nog altijd gevaarlijker dan computers. Dat heeft er alles mee te maken dat mensen denken en computers niet. Maar als computers niet denken, hoe werken ze dan wel? Hoe kunnen computers al die verbluffende dingen doen, zoals hele encyclopedieen onthouden, de belasting uitrekenen, Mario met je spelen of schaken, als ze geen hersens hebben?

Nou, dat zit zo, in computers zitten kabouters. Zelfs de kleinste computer, bijvoorbeeld die in je vaders fototoestel of in de wasmachine, is een mierenest vol hele kleine kabouters. En nu komt het, het geheim van de elektronica is dat die kabouters ongelooflijk dom zijn. Ze kunnen werkelijk niks, of bijna niks. Ik bedoel, ze kunnen niet praten, in hun neus peuteren, zich vervelen, voetballen of jam maken; het zijn onvoorstelbare sukkels. Ze kunnen alleen dit: liggen of staan. Maar of ze nou liggen of staan, ze kijken altijd even duf voor zich uit. Het is binnen in computers in feite een heel saaie en zelfs een beetje zielige boel.

Eén ding moet gezegd, ze zijn razendsnel. Als ze staan kunnen ze sneller gaan liggen dan wij met onze ogen knipperen. En andersom, al liggen ze nog zo sloom op hun rug, ze kunnen bliksemsnel in de houding springen. Wat doen die kabouters als ze alleen maar kunnen liggen of staan? Ze onthouden iets voor ons, net zoals de balletjes op een telraam. Een kluitje van zes kabouters, waarvan de eerste vier liggen, er eentje staat en de laatste weer platligt, hebben ze bv. het getal 2 genoemd. Voor het getal 3 moet één kabouter die staat gaan liggen en die kabouter voor hem opstaan.

Het klinkt een beetje sukkelig, maar als je genoeg kabouters hebt zijn de mogelijkheden duizelingwekkend. Stel je een voetbal-stadion vol kabouters voor, of beter nog, duizend voetbalstadions. Je kent die televisie-reclames wel waar een enorme menigte mensen die een gekleurd parapluutje boven hun hoofd houden samen een grote tekenng of een woord vormen. Of zelfs een kaart van de hele wereld. Ieder parapluutje onthoudt een heel klein stukje van de tekening.

Zo doen de kabouters in een computer het ook. Ze liggen of staan, en in clubjes vormen ze samen getallen. En omdat je alles kunt ophakken in kleine stukjes die je een nummer geeft kunnen computers alles onthouden, niet alleen getallen en letters, maar ook de spelling van het woord ‘penaltystip’, de manier om een staartdeling te doen, of de glimlach op Mario’s gezicht als ie vleugeltjes krijgt. Pianomuziek, de kogels in een schietspel, de letters in je MSN, ze bestaan in de vorm van getallen die die kabouters met elkaar vormen.

De programmeurs, die al die miljarden kabouters in de goede volgorde hebben gezet en ze hebben geleerd elkaar te vertellen wanneer ze moeten gaan liggen of staan, die zijn slim. De kabouters in een computer kunnen maar tot twee tellen, maar juist omdat ze dat zo bliksemsnel kunnen en met zo veel zijn, kunnen ze samen dingen doen die er van een afstandje heel ingewikkeld uit zien.

Als je aan het toetsenbord van een computer zit, of aan de joystick van je spelcomputer, gaan er miljoenen duffe kabouters liggen en staan, in een razend tempo. En zonder dat ze het weten kun je ze laten schrijven, tekenen, rekenen, muziek maken, Mario spelen of schaken. De snelheid van miljarden domme kabouters maakt dat computers slim lijken.

October 4, 2007

Lancering

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 11:30 am

Vandaag is het 4 oktober. Niet alleen is het Wereld Dieren Dag, het is de dag waarop de roman Het Middel feestelijk ten doop wordt gehouden en dit weblog officiëel van start gaat.

4 oktober is een beroemde dag als het om lanceren gaat. In mijn geboortejaar 1957 was het de dag waarop de wereld verrast en verbluft reageerde op de verschijning van de eerste kunstmaan, die zijn baantjes om de aarde draaide. De Sputnik 1 werd vanaf de steppe in Baikoenoer in een baan om de aarde gestuwd en begon zijn reeksen drammerige pieptonen uit te zenden. Het ding was eigenlijk niet meer dan een groot uitgevallen basketbal van aluminium, maar dan met vier metalen sprieten van twee en een halve meter lang.

Toen ikzelf gelanceerd werd, op 22 november, draaiden er maar liefst twee Sputniks rond. Erbij gekomen was de Sputnik 2 met aan boord het hondje Laika, dat het eerste levende wezen zou worden dat 230 kilometer boven het aardoppervlak zou sterven. Ik lag lekker met mijn moeder in het kraambed.

In het boek waarmee ik debuteerde, Arbeidsvitaminen, het ABC van Bril&VanWeelden, dat precies dertig jaar later verscheen, in november 1987, kon ik het niet laten een kort stukje te schrijven over de bijna lichamelijke band tussen mij en de eerste sateliet. Het omslag van Mobilhome, mijn roman uit 1991 toont een schitterende foto van Nederland, gemaakt door Wubbo Ockels vanuit het Spacelab. In dat boek maak ik een vergelijking tussen romans en satelieten. Beide belichamen een radicale breuk met de aardse, alledaagse werkelijkheid. Ze bevinden zich in een wereld met eigen wetten. Maar hun schoonheid, kracht en bestaansrecht ontlenen ze aan hun vermogen dankzij die afstand verbanden te leggen en ontdekkingen te doen, die onmogelijk zijn op het aardoppervlak en in ons dagelijkse doen. Denk aan satelieten die met radar ondergrondse watervoorraden vinden, waar herders aan de rand van de Gobi woestijn wekenlang vergeefs naar zoeken. Of aan communicatie-satelieten die mensen op enorme afstand in woord, geluid en beeld met elkaar in contact kunnen brengen. Of aan satelieten die kunnen meten hoe het water in de poolzee opwarmt en in beeld brengen hoe de ijskappen smelten, het ozongat groeit en krimpt.

Het zijn metaforen voor de zeer uiteenlopende soorten functies die romans voor hun lezers kunnen vervullen. En het mooie aan de sateliet-vergelijking is dat al die intimiteit, amusement, ontroering, verwondering, inzicht alleen mogelijk zijn dankzij het afstandelijke en kunstmatige karakter van de roman. Net zoals alle mondiale telecom, de nuttige, fraaie en gruwelijke inzichten die satelieten ons bieden, alleen bestaan doordat het eenzame, verre machines zijn. Met heel gevoelige zintuigen, heel grote geheugens, meedogenloze camera’s en slimme verbindingen. Het zijn de mensen op de grond, de lezers, die zich toeeigenen wat satelieten en romans te bieden hebben en daar iets mee doen; de mogelijkheden tot leven wekken, vlees en bloed laten worden.

Waarmee gezegd is wat een goede datum 4 oktober is om een roman en een weblog te lanceren.

October 1, 2007

Nieuws

Filed under: Uncategorized — Dirk van Weelden @ 2:33 pm

De roman Het Middel verschijnt deze week bij uitgeverij Augustus.

webomslag.jpg

Maandag 8 oktober aanstaande, zal Pieter Hilhorst in het programma Desmet Live (Radio 5) een gesprek met mij voeren over het boek. De uitzending begint om 18.00. Het programma is ook als televisieprogramma op internet via de site www.desmetlive.nl te volgen

« Older Posts

Powered by WordPress