Eigen grond
Tijl had een al een tijd erg bont gemaakt. Verbaasd was hij dan ook niet toen de hertog hem in het vroege voorjaar liet oppakken en hem verbande uit de stad en van het grondgebied van het hertogdom. Nadat de schout de officiële veroordeling had voorgelezen legde de hertog zelf uit wat die lange reeks plechtige woorden betekende. ‘Op mijn land is het je verboden te wonen, te werken, te lopen en zelfs te liggen’, zei hij. Dat knoopte Tijl in zijn oren. Meteen toen de soldaten van de schout hem bij de grenspaal losgelaten hadden was hij op zoek gegaan naar een boer. Laat op de middag zag hij een kar langs het veld staan met een ezel ervoor. Hij zocht de boer, die bezig was een hek te repareren.
‘Wiens land is dit?’ vroeg Tijl.
‘Het mijne, ik heb het van mijn vader geërfd,’ zei de boer.
‘Hoeveel wil je hebben voor een karrevracht grond van deze akker?’
De boer noemde zijn prijs.
De volgende dag reed de hertog in alle vroegte de stad uit om met een groot gevolg de valkenjacht te gaan bedrijven in een van zijn bossen. Bij de zuidpoort kwam hij Tijl tegen, die net de stad in reed. Hij zat in een boerekar, tot zijn schouders begraven in de aarde.
‘Tijl, ik heb je verbannen! Je schendt mijn vonnis, ik zal je laten opsluiten en folteren tot je voorgoed scheel ziet.’
‘Beste hertog, ik mocht niet meer wonen, werken, lopen of liggen op uw land. Het land waarin ik zit is mijn bloedeigen land. Eerlijk gekocht van een man die het geërfd had. Vraag het hem, hij zit voorop de bok,’ zei Tijl. De boer bevestigde de erfenis en Tijls aankoop van de grond.
De hertog vervolgde zijn weg om te jagen. Tijl reed de stad in, om samen met vrienden liederen te zingen en bier te drinken onder de lindenbomen bij de herberg, gezeten in zijn eigen, rijdende land.
