De zon zet alles in een royaal, hard licht. Het is herfst, dat vertellen de kleuren en het aroma dat uit het park opstijgt.
Bij de toegangshekken staat een jonge man in hardloperskledij. Hij is bijna twee meter lang en heeft de schouders van een roeier. Hij zet zijn schoen op een dwarslat in het hek. Dan strekt hij zijn been en brengt zijn bovenlijf voorover. Net als hij van been wil wisselen komt er een vrouw aanschuifelen.
Ze loopt als een tachtigjarige, maar ze kan niet veel ouder dan vijftig zijn. Vettig zwart haar valt om haar ronde gezicht. Ze draagt een beduimelde bril. Haar armen bungelen stijf langs haar romp. Die slappe tred, de pafferige wangen, de starre blik, alles suggereert langdurig medicijngebruik.
‘Nee, niet weer, hè,’ zegt de vrouw en houdt halt midden op het pad.
‘Wat scheelt eraan?’ vraagt de man.
‘Nou gebeurt het weer, dat ik een beetje bang word.’
De jonge man aarzelt geen seconde. Hij pakt de vrouw bij de arm en leidt haar naar het hek.
‘Hier, houdt u zich maar even vast. Maakt u zich geen zorgen. Er kan niet zoveel mis gaan. Echt niet. Het is een prachtige dag.’
Haar hand omsluit een van de groene spijlen. Het is alsof ze wakker wordt.
‘Dank u,’ zegt ze stralend.