De dagdroom
De kunstenaar Joseph Cornell woonde met zijn gehandicapte broer Robert even buiten New York. Om materiaal voor zijn collages te verzamelen maakte hij excursies naar Manhattan. In 1962 valt zijn oog op de cassiere van Ripley’s Believe it or Not Museum. Ze heet Joyce Hunter, hij noemt haar Tina. Hij ziet in haar een droom-elf, een abrikozen-meisje. Celibatair als hij is, obsedeert deze nymfijn hem hevig. Als hij haar ziet kan hij zo overrompeld raken dat bewegen en spreken onmogelijk worden. In zijn dagdromen verschijnt ze als onschuldige engel in een baby blauw jurkje. Soms is ze bijna zijn moeder, molliger en blonder dan de werkelijke Joyce. Cornell is dankbaar voor die verschuivingen en versmeltingen.
In 1964 trekt ze bij hem in. Een paar maanden later is ze verdwenen. Negen van Cornells beroemde dozen ook. Hij weigert een aanklacht in te dienen. In zijn ogen is ze onschuldig. Hij maakt een collage van haar en haar pasgeboren dochter; als een schattige roze rat met een jong.
Op 16 december stuurt Cornell een vriend naar het stadsmortuarium om haar lichaam te identificeren. Ze is uit het water gedregd en heeft twee steekwonden. Cornell laat haar in de buurt van zijn huis begraven. Hij huurt twee detectives in om het kind op te sporen, dat hij zou willen adopteren. De pogingen hebben geen succes.