Archive for October, 2007

Eigen grond

Wednesday, October 31st, 2007

Tijl had een al een tijd erg bont gemaakt. Verbaasd was hij dan ook niet toen de hertog hem in het vroege voorjaar liet oppakken en hem verbande uit de stad en van het grondgebied van het hertogdom. Nadat de schout de officiële veroordeling had voorgelezen legde de hertog zelf uit wat die lange reeks plechtige woorden betekende. ‘Op mijn land is het je verboden te wonen, te werken, te lopen en zelfs te liggen’, zei hij. Dat knoopte Tijl in zijn oren. Meteen toen de soldaten van de schout hem bij de grenspaal losgelaten hadden was hij op zoek gegaan naar een boer. Laat op de middag zag hij een kar langs het veld staan met een ezel ervoor. Hij zocht de boer, die bezig was een hek te repareren.

‘Wiens land is dit?’ vroeg Tijl.
‘Het mijne, ik heb het van mijn vader geërfd,’ zei de boer.
‘Hoeveel wil je hebben voor een karrevracht grond van deze akker?’
De boer noemde zijn prijs.
De volgende dag reed de hertog in alle vroegte de stad uit om met een groot gevolg de valkenjacht te gaan bedrijven in een van zijn bossen. Bij de zuidpoort kwam hij Tijl tegen, die net de stad in reed. Hij zat in een boerekar, tot zijn schouders begraven in de aarde.
‘Tijl, ik heb je verbannen! Je schendt mijn vonnis, ik zal je laten opsluiten en folteren tot je voorgoed scheel ziet.’
‘Beste hertog, ik mocht niet meer wonen, werken, lopen of liggen op uw land. Het land waarin ik zit is mijn bloedeigen land. Eerlijk gekocht van een man die het geërfd had. Vraag het hem, hij zit voorop de bok,’ zei Tijl. De boer bevestigde de erfenis en Tijls aankoop van de grond.

De hertog vervolgde zijn weg om te jagen. Tijl reed de stad in, om samen met vrienden liederen te zingen en bier te drinken onder de lindenbomen bij de herberg, gezeten in zijn eigen, rijdende land.

In drie regels

Tuesday, October 30th, 2007

Alle kranten ter wereld hebben kolommen met wat de Fransen faits-divers noemen. Als drijvend afval in de goten van de stad, dobberen daar de kleine drama’s voorbij van ongelukken, vergissingen, fatale obsessies, bizarre vondsten en komische noodlottigheden.

Een auteur wordt niet vermeld en werkelijk nieuws kun je de inhoud van deze berichten meestal niet noemen. Bij het lezen ervan proef je iets eeuwigs, alsof je een boek met eeuwenoude streeklegenden opslaat, maar dan in een eigentijdse stedelijke aankleding.

Van de week las ik een stuk van Luc Sante (schrijver van het onvolprezen Low Life (1992), een geschiedenis van de onderbuik van Manhattan in de negentiende eeuw) in de New York Review of Books. Daarin maakt hij de lezer lekker voor zijn zojuist verschenen Engelse vertaling van een voor het laatst in 1990 herdrukt Frans boek door Felix Fénéon (1861-1944). De titel luidt Novels in three lines (oorspronkelijk Nouvelles en trois lignes) en bestaat uit zo’n twaalfhonderd extreem korte kranteberichten, die Fénéon schreef voor het dagblad Le Matin in 1906.

Fénéon, een man die zijn leven in dienst stelde van het streven een geheim te zijn (en daar wonderlijk goed in slaagde, hij is nog altijd een mythisch redacteur, kunstkriticus, schrijver, halve terrorist; geen biograaf heeft vat op hem gekregen), beoefende het fait-divers als een streng literair genre. Zijn drie-regelige krantebericht wordt een grootstedelijke haiku. Het gevolg is dat de mensenwereld in adembenemend beknopte vorm aan je voorbij trekt; scherp en razendsnel, in al zijn rauwheid, wonderlijkheid, absurdisme en waanzin. Dit is taal die met explosieve kracht een beeld en een gebeurtenis oproept. Een griezelig onthechte poetische blik doemt eruit op. Wat verder opvalt is de aandacht voor het leven van de heffe des volks.

Het stuk van Luc Sante (in de NYRoB van 25 oktber) is een aanrader; een prachtig essay dat nieuwsgierig maakt naar Fénéon en mij in ieder geval dwong de volgende vraag te beantwoorden: bestel ik onmiddellijk de Amerikaanse editie bij Amazon voor 12 dollar of ga ik morgen de Franse editie bestellen en wentel ik me al in de voorpret om die met een woordenboek en een potlood te lijf te gaan? Na een ommetje bleek het antwoord op deze vraag te zijn: beide.

»C’est au cochonnet que l’apoplexie a terrassé M. André, 75 ans, de Levallois. Sa boule roulait encore qu’il n’était déjà plus. »
‘On the bowling green a stroke leveled M. André, 75, of Levallois. While his ball was still rolling he was no more’

Again and again Mme Couderc, of Saint Ouen, was prevented from hanging herself from her window bolt. Exasperated, she fled across the fields.

In het park

Monday, October 29th, 2007

De zon zet alles in een royaal, hard licht. Het is herfst, dat vertellen de kleuren en het aroma dat uit het park opstijgt.

Bij de toegangshekken staat een jonge man in hardloperskledij. Hij is bijna twee meter lang en heeft de schouders van een roeier. Hij zet zijn schoen op een dwarslat in het hek. Dan strekt hij zijn been en brengt zijn bovenlijf voorover. Net als hij van been wil wisselen komt er een vrouw aanschuifelen.

Ze loopt als een tachtigjarige, maar ze kan niet veel ouder dan vijftig zijn. Vettig zwart haar valt om haar ronde gezicht. Ze draagt een beduimelde bril. Haar armen bungelen stijf langs haar romp. Die slappe tred, de pafferige wangen, de starre blik, alles suggereert langdurig medicijngebruik.
‘Nee, niet weer, hè,’ zegt de vrouw en houdt halt midden op het pad.
‘Wat scheelt eraan?’ vraagt de man.
‘Nou gebeurt het weer, dat ik een beetje bang word.’
De jonge man aarzelt geen seconde. Hij pakt de vrouw bij de arm en leidt haar naar het hek.
‘Hier, houdt u zich maar even vast. Maakt u zich geen zorgen. Er kan niet zoveel mis gaan. Echt niet. Het is een prachtige dag.’
Haar hand omsluit een van de groene spijlen. Het is alsof ze wakker wordt.
‘Dank u,’ zegt ze stralend.

Tussenmoment

Tuesday, October 23rd, 2007

Er bestaat een kort moment; vlak nadat het te laat is nog iets te doen -terug is onmogelijk, ingrijpen te traag- maar vlak voordat het ongeluk, de ramp, de val, de misdaad plaatsvindt.

Het is het flitsmoment waarop de auto je nog niet geraakt heeft maar je zeker weet dat het zal gebeuren. De halve seconde waarin je voelt dat je evenwicht onherstelbaar verloren is en de val onvermijdelijk. Het zichzelf vertragende ogenblik waarin je de toets hebt ingedrukt, de foutmelding nog niet is gekomen maar het kostbare document vernietigd is. De ademtocht waarvan je hoort dat het je moeders laatste zal zijn.

Een paar seconden lang is alles griezelig licht en helder. Je hart maakt een duikvlucht over een diepe afgrond. In een flits kun je kunt uren, dagen, maanden, jaren in de toekomst zien. Want het volle besef van alle vreselijke gevolgen is al bij je. Je weet alles al. Niet als een verhaal of een opsomming, maar als in een enkel beeld van een onverzettelijk ding. Voor een tussenmoment ben je gevangen in een cocon, gegijzeld door dat beeld.

Dan gebeurt de wereld weer en word je geboren in het moment van de ramp, het ongeluk, de val, de misdaad. Ertoe veroordeeld nieuw te zijn.

Nederlands Kampioen!

Monday, October 22nd, 2007

Helder herfstweer is het mooiste. Het was gisteren ideaal weer om hard te lopen. Daar hadden wij van het Team Sporthuis (een imprint van sportboeken bij de Arbeiderspers en betrokkenen bij 42, het hardlooptijdschrift) maar geluk mee. We liepen namelijk vanaf half elf in estafette-vorm (in stukjes van vijf, tien en iets meer dan zeven kilometer) de marathon van Amsterdam. Nog zo’n 83 andere bedrijven-teams deden mee aan wat officieel heette Het ING Nederlands Kampioenschap Estafette Marathon. Het woord officieel is op zijn plaats, aan dit wedstrijdje hing namelijk het merk van goedkeuring van de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie.

In een moderne estafette-marathon wordt geen houten stokje doorgegeven. Een elektronische chip zit met klittenband aan de enkel van de lopers bevestigd. Op de wisselpunten (waar de deelnemers met bussen naar toe gereden worden) moeten de teamleden elkaar vinden en de band met de chip aan de enkel van de startende loper vastmaken.

De lopers van Team Sporthuis hadden geen enkele moeite elkaar de vinden bij de wisselpunten. We waren namelijk gesponserd door Brooks Nederland, waar men ons (Ivo Janssen, Bram Bakker, Peter Nijssen, Wout Heslinga, mij en Marcel Versteeg van Brooks Nederland zelf) in oogverblindend geel had gehuld. Op nieuwe Brooks-schoenen en in die bijkans lichtgevende shirts zagen we elkaar al vanaf grote afstand naderen. Een heel vrolijk stemmend gezicht. Temeer daar Team Sporthuis na de derde wissel op kop lag. De concurrentie van hardlopende groepjes medewerkers van banken, bouwbedrijven, detacheringsbureaux en kopieermachinefabrieken bleek niet tegen ons opgewassen.

Ik stond aan de Mauritskade, tussen de molen bij brouwerij ‘t IJ en de Dappermarkt, te kleumen in mijn korte broek en hemdje. Het idee was namelijk dat ik niets anders hoefde te doen dan verschrikkelijk hard naar het Olympisch stadion lopen, zo’n 7 kilometer en 195 meter verderop. Zo’n kort wedstrijdje had ik nog gelopen. Geen tactisch plan, gewoon vlammen. De telefoon in het jack van een van de stewards ging. Op het vorige wisselpunt was de eerste loper gepasseerd. Vreemd, vond hij, dat hadden we pas over twintig minuten verwacht. Van welk team was hij? vroeg ik. Nummer 70. Wout, dus!

Wout had me die ochtend verteld dat hij van de week een test gedaan had op de atletiekbaan en de vijf kilometer (die hij ook hier moest doen) liep in 19 en een halve minuut. Van schrik ging ik me veel te snel warm lopen over een uitgestorven Dappermarkt. Bang hem te missen stond ik na een klein kwartier al weer klaar. Tussen de passanten, die de hele marathon liepen en ruim onder de drie uur gingen finishen kwam hij aangestormd. De wissel ging soepel en ik stoof weg.

Het ging heerlijk en de aanmoedigingen van het publiek waren hartverwarmend. Alleen had ik de indruk dat ik ze niet verdiende. Ik liep helemaal fris tussen formidabele lopers, die de marathon ruim onder de drie uur gingen lopen. Iets wat ik (nog) niet heb klaargespeeld. Het wekte de neiging op bij het passeren van die moegestreden krijgers te roepen: trek het je niet aan, ik ben zo’n watje van de estafette!

Ik bracht de chip over de finishlijn in het Olympisch Stadion 2 uur, 43 minuten en 55 seconden nadat Ivo gestart was. Daarmee was Team Sporthuis Nederlands Kampioen! En de overwinning was duidelijk afgetekend. Nummer twee, een team van jongere bankemployees had ruim tien minuten op ons verloren. We waren zelfs twintig minuten sneller dan de winnaar van vorig jaar. Onze gemiddelde snelheid bedroeg 15,445 km/uur.

Genetwerkt met andere bedrijven hebben we eerlijk gezegd niet in de BusinessTent, maar de catering lieten we ons smaken. We hieven het glas met onze reserveloper Kees Kooman. Martin Bredijk, ons geblesseerde teamlid moest verstek laten gaan. In de loop van de middag kregen we ieder een schitterend lelijke beker van een man van de ING. De voorzitter van de KNAU was de medailles even kwijt. Die volgen dan per post.

Abdelkader Benali, ook een man van Team Sporthuis, kwam nog even feliciteren. Hij had solo meegedaan aan de marathon. Tot kilometer dertig ging alles fantastisch. Hij kwam zelfs ruim onder de twee uur door, maar daarna speelde zijn maag op. Een paar kilometer verderop moest hij de strijd staken. Hij verdenkt een energiedrankje. Zelf leek hij niet geknakt door de opgave. Hij werd meteen overspoeld door adviezen welke snelle marathon hij binnenkort kon lopen. Leukste die ik hoorde langskomen: de ZuiderzeeMarathon, van Urk naar Zwolle. ‘Meestal het hele eind wind in de rug.’

Bâtajazz

Thursday, October 18th, 2007

Gisteravond vond in PuntWg in Amsterdam (zie post hieronder) een Bâtafysische Jazzavond plaats. Het was een vrolijke avond met inventieve, bruisende muziek. Vooral dank dus aan de musici, maar ook aan Matthijs van Boxsel die me bijstond met goede raad en bijdragen aan het gesproken en gezongen deel van het programma. En natuurlijk aan Meinke en Christina van PuntWG die het mogelijk maakten. Dit is een causerie die ik daar uitsprak. Voor wie meer wil weten over Bâtafysica: ga naar mijn gelijknamige pagina en volg de links.

Wat heeft Bâtafysica met jazz of andere geïmproviseerde muziek te maken?

Om dat te begrijpen is het nodig terug te gaan naar de oorsprong van het woord Bâtafysica. Schepper van de eerste patafysicus (het romanpersonage Dr Faustroll) is de schrijver Alfred Jarry. Maar eigenlijk is het beter om te zeggen dat zijn andere alter-ego, Père Ubu de oervader van de patafysica is. In alle aan hem gewijde teksten is hij onafscheidelijk van een bepaald attribuut. Zijn bâton à physique. Lichaamsknuppel in goed Nederlands. In Ubu’s wereld en taalgebruik is het een slagwapen, een fallus, een wandelstok, een scepter, een meetlat en ga maar door. Het is domweg Ubu’s interface met de fysieke werkelijkheid, om het modern te zeggen.

Het is dus niet verwonderlijk dat de bâton à physique het oerprincipe van de wereld aanschouwelijk maakt. In een ander toneelstuk van Jarry is sprake van een helm, versierd met heraldische tekens. Voor de ogen van de drager draaien stokjes razendsnel rond. Jarry verwijst naar de bâton à physique en zegt dat die stokjes zo snel ronddraaien dat ze tegelijkertijd een min en een plus vormen. Oftewel, een pulserende Nul. Enkele zinnen uit de heraldische akte van César-Antéchrist:

‘Axioma en principe van de identieke tegengestelden, gekramd om jouw oren en jouw intrekbare vleugels, vliegende vis, patafysicus, is het dwergachtige helmteken van de reus, voorbij de metafysica’s; door jou is hij de Antichrist en ook God zelf, paard van de Geest, Min in de Plus, Min-die-Plus-zijt, cinematica van de nul nestelend in de ogen, oneindig veelvlak.
Generator van weleer, jij bent mijn zwaard der wrake; giftand van de adder, jij zwaait en brandt; gloeiende staak, je ademt vuur. Je bent de oehoe, de sex en de Geest, hermafrodiet, jij schept en vernietigt.’

De rondzwiepende knuppel doet denken aan het vliegwiel dat in een filmcamera dienst doet als onderbreker. Komt de knuppel langs is even het licht uit. Jarry gebruikte zelf al het woord cinematica. Voorwaarde voor het waarnemen van beweging in de cinema is het even wegraken van het beeld. Vervloeit dat zwart met de statische plaatjes, is er beweging.

Maar de roterende bâton die een pulserende Nul oproept, waarin Min en Plus in elkaar vervagen, maakt ook geluid. Het is de zoevende oer-puls van de muziek; de slag, de beat, de harteklop die zelfs in de meest trage en vormeloze muziek niet helemaal afwezig is en zich dan als trage ademhaling of golfslag vermomt. Het is de slag, de beat, die triomfeert in de jazz en alle verwante muzieksoorten. Terzijde daarvan denken we snel even aan de drift waarmee een dirigent zijn bâton roert, die zwijgende toverstok, paal in de broek, rythmstick.

De lichaamsknuppel is het vliegwiel van de beat. Uit eigen ervaring weten we dat zodra de muziek gaat klinken en de beat zijn heerschappij tentoonspreidt alle tegengestelden in elkaar vervagen. Intelligentie verkeert in onnozelheid. De lulligste melodietjes brengen hyperintelligente collectieve improvisaties voort. Egotripperij en onwerkelijk subtiel samenspel gaan moeiteloos in elkaar over. Horten en stoten is niet meer van vloeien en glijden te onderscheiden. Wreedheid en tederheid worden een kluwen geluid. En door alles heen klinkt de drager, de slag, het zoeven van het vliegwiel van Ubu’s fysieke knuppel.

De Bâtafysica is genoemd naar de bâton à physique, die een verwoestend dynamisch instrument blijkt te zijn. Maar er is een nog veel intiemer verband tussen de Bâtafysica en de jazzy beat. De voorzitter van de Nederlandse Academie voor Patafysica is het grootste nog werkende stoomgemaal ter wereld, het Ing. Wouda-gemaal te Lemmer. De bijnaam van deze enorme machinerie is ‘de stoomkathedraal’ en daarmee is niets teveel gezegd. Het staat volkomen terecht op de Unesco werelderfgoedlijst.

Bovendien bewijst het ieder jaar weer nuttige diensten. Wanneer het water in het Noorden des lands stijgt bemaalt de voorzitter de Friese boezem en watert af op het Ijsselmeer. En zo spreekt de voorzitter tot ons allen. In nog lang niet allemaal ontcijferde waterwervelingen en middels moeilijk leesbare stoomwolk-signalen.

Ook het geluid dat de voorzitter, Ons Aller Oppergemaal, maakt is een schat aan bâtafysische kennis. Over het zuigen en klotsen van de centrifugale slakken hebben we het nu even niet. Om ons strak te bepalen tot het verband tussen jazz, de bâton à physique en OAO (dat wil zeggen de pulserende ritmiek van het vliegwiel) stel ik voor dat we enkele minuten gezamenlijk luisteren naar de turbines van de voorzitter. Hierna zal, om de oneindige diepte van dit geluid te vieren, het kwartet muzikaal vertrekken vanuit ons oergeluid en hun bijdrage leveren aan een avond met Bâtafysische Jazz.

(OAO klinkt twee minuten, zeventien seconden; waarna jazz door Dominykas Visniauskas, Augusto Forti, Raoul van der Weide en Alan Purves)

Dweilend Varken

Aanstaande woensdag

Saturday, October 13th, 2007

Vieren of navolgen

Friday, October 12th, 2007

Micha,
blij dat je het Palomar-cultuur idee oppakt. En ik snap wat je zegt als je het iets snoeverigs vindt hebben. Maar ik bedoel geen ‘imitatio Palomari’, geen Palomar-worden; juist heel bescheiden, het nooit verlaten van ons eigen leven en het vieren (desnoods in indirecte, surrogaat-vorm) van het Palomar-achtige van de wereld en ons leven. Dat wil zeggen in het volle besef dat we nooit kunnen leven als een romanpersonage. Hooguit kunnen we elkaar zo goed en zo kwaad als het lukt laten delen in onze ontmoetingen met fragmenten en aspecten Palomar. Dat delen is de Palomar-cultuur.

Hoe sympathiek die mannen in grijze pakken op de Dam ook zijn, en hoe heerlijk het ook is om vier uur lang in grote eengezinsheid (en hopelijk bij prettig weer) duiven te voeren, toch heeft dat meer weg van aanbidden en vereren, dan vieren. Als we het erover eens zijn dat navolgen onmogelijk is, zou ik eerder kiezen voor vieren, dan voor aanbidden. De reden is dat het uiteindelijk niet om Palomar zelf gaat, maar om dat wat we dankzij Calvino en zijn boek kunnen herkennen en benoemen als ‘Palomar’; een moment, een manier van kijken, een denkwijze. Een huis ontwerpen voor Palomar gaat misschien wel meer over de lol en het avontuur van het ontwerpen van een huis dan over Palomar. Hij is de richtinggevende aanleiding. Niet een eenduidig criterium waaraan het ontworpen huis moet voldoen. Een metafoor.

Ik vermoed ook dat als je veel Palomar-cultuur produceert het personage Palomar in beweging kan komen en het onderscheid tussen Het Boek en wat er door de cultisten aan Palomar-substantie wordt voortgebracht gaat vervagen. Dat is ‘onzuiver’ en onbeheersbaar, maar wel leven, beweging, ‘human randomness’, evolutie. Culturele vruchtbaarheid.

Palomar is een OC, een original character zoals Melville het noemde. Denk aan Odysseus, Don Quijote, Tijl Uilenspiegel, zijn eigen Ahab. Het zijn personages die een leven kunnen leiden buiten het werk/verhaal/fictieve wereld waarin ze ontstaan zijn. Palomar is meer nog dan Teste of Plume zo’n OC. Hij deelt de ongemakkelijke banaliteit met zijn lezers, hij bewoont geen paralelle werkelijkheid, zoals die andere twee.

De celebrity-cultuur van vandaag berust op hetzelfde principe dat ik voorstel voor de Palomar cultuur. Maar dan gebaseerd op een vrij simpel beeld en meestal zonder dat de suggestie is huizen, muziek, beelden, kleding, teksten enz te maken. Hoewel dat ook gebeurt uiteraard en massaler dan je zou verwachten. Meisjes van 12 die gedichten maken voor Lindsay Lohan of een tekening maken van een droom-villa voor Jan Smit.

Het verschil, misschien dat de Palomar cultuur zich niet blind onderwerpt aan het imago, maar de ‘oneindige’ variabiliteit van wat Palomar is avontuurlijk omarmt. En liefst met gedeelde ironie. Je hoopt dat Palomar een bevrijdender, in levenstermen ‘machtiger’ en rijker personage is dan Lindsay Lohan. Het erge van dit soort dingen is dat er steeds minder verschil lijkt hoe langer je erover nadenkt. Het gaat om de intensiteit en vreugde, ja, het bevrijdende geweld van het vieren; van die productie van nieuwe muziek, tekst, huizen, ideeën enz en het delen daarvan. Min of meer leeg, maar ja.

Hier stopt de trein van mijn gedachten even.
Tanken, benen strekken, broodje kopen en andere keer verder.

Palomar cultuur

Friday, October 12th, 2007

Richard, Micha
jullie reacties klinken mooi geestdriftig. Is het een idee om een Palomar-genootschap/netwerk in het leven te roepen? Ik ken nog een paar Palomar-fans. Dat we
• elkaar van over de hele wereld Palomar-achtigheden opsturen
• zijn verjaardag vieren
• muziek voor hem en over zijn avonturen maken
• hem brieven schrijven
• een huis voor hem ontwerpen
• mooie pakken, schoenen en hoeden.

We kunnen onderzoek aan de wereld doen volgens de Palomar methode. Dat wil zeggen vragen in het verlengde van bv. ‘wat voor horloge zou Palomar hebben?’ of ‘hoe zou Palomar het doen als hij ergens moest inburgeren?’ of ‘naar welke sport kijkt Palomar het liefst?’ Palomar als ‘levensweg’ of cultus. Maar ook: het ‘Palomar’ van de wereld vieren. Een schitterend ontspannen club. Die het leven echt beter kan maken.

Lees Palomar

Friday, October 12th, 2007

Ik herlees Calvino’s Palomar en onderga het onvermijdelijke. Een duizelig makende bewondering die overgaat in een bijna pijnlijk verlangen ooit nog eens zo’n soort boek te maken. Pijnlijk is het verlangen omdat dit zo ongeveer het hoogste is: Calvino ontvouwt een volledige literaire denkwijze, een in waarnemingen uitgedrukt wereldbeeld in een reeks korte stukjes, gevat in een even simpele als vernuftige structuur.

De indeling van het boekje weerspiegelt volmaakt de drie hoofdbestanddelen van wat Calvino als de kern van zijn schrijverschap ziet: het bekijken en onbevangen beschrijven van de wonderbaarlijke werkelijkheid. Dat is ook: de vindingrijkheid van de geest bij het plooien van de taal, zo dat die de onmiddellijkheid kan her-opvoeren.
Ten tweede: het spelen met de verhalen, de symbolen, de toespelingen op mythes en legendes en sprookjes en moppen.
Op de derde plaats, de abstracte, ‘oneindige’ vlucht die het denken dankzij taal kan nemen, over tijd en ruimte, ik en wereld, over de wereld en het leven onder een onmenselijk standpunt bezien. Laten we zeggen: de intuitieve filosofie die bestaat dankzij het poetisch gebruik van taal.

En dat allemaal, en daar zit hem het genie van Calvino, in korte schetsjes van een min of meer onpersoonlijk mannetje in alledaagse situaties. Op de markt, op het strand, in een winkel, in de keuken. Het is dus in zekere zin de overtreffende trap van de stijloefeningen van Quenau. Omdat er werkelijk zijn blik op de wereld en het aandeel van het schrijven (het schrijvend leven) in is vervat. Wie goed leest, ziet natuurkunde, de invloed van de literaire geschiedenis, het debat met religie, de liefde voor volksverhalen, de worsteling met het politieke en de vergeefsheid van ideologische dadendrang, de weerzin en melancholie die worden opgeroepen door de verdwijning van de wereld zoals ie was voordat de consumptiemaatschappij ontstond.

Wat hem in staat stelt deze subtiele vorm van de Grote Greep te schrijven in zo’n klein bestek is allereerst de verbluffend simpele maar encyclopedisch volledige structuur. De drie keer drie keer drie. Zodat hij nooit alles in één keer hoeft te doen en de stijl wel kan veranderen, maar nooit geforceerd als een tovertruuk aanvoelt om alles te zeggen, het blijft helder en eenvoudig.

Maar vooral is dit mogelijk dankzij de toon, waar alles op rust. Die is helder en eigenzinnig als een in stilte aangeslagen snaar. Een harde attaque (scherp, je schrikt), een doordringend zoemen (je voelt, dit is erg helder, dit vergeet ik nooit), een bescheiden wegsterven (hij laat je los, hij laat je zelf de gedachte afmaken).

Lees Palomar van Italo Calvino