Dirk van Weelden

September 25, 2007

De Kofferbak

Filed under: Mini's — Dirk van Weelden @ 10:46 am

Wat een gezeul. Alle weekendtassen en de boodschappentassen met eten. Dan het kinderfietsje. Allemaal in de kofferbak. Alleen als hij het slim aanpakt past alles erin. Irritant gezeik met speelgoedbeesten en ballen. Even verderop wringt zijn vrouw de dweil uit tussen de brandnetels. Het vakantiehuisje is schoner dat toen ze hier aankwamen. De kinderen zitten elkaar gillend achterna. Hij stuurt ze weg. Wacht maar bij de parkeerplaats. Nog geen sinecure alles zo in de wagen te krijgen dat de boel heel blijft en iedereen kan zitten. Tot twee keer toe moet hij alles eruit tillen om het opnieuw te doen. Die grote tas van zijn zoon toch voor de achterbank. Zitten ze twee uur met de beentjes in de lucht. En als hij dan het stuur van het fietsje los schroeft en evenwijdig aan het wiel draait, moet het passen.

Opgelucht legt hij de Barbierugzak van zijn dochter bovenop. Gelukt. En zijn vrouw heeft zich er niet eens mee bemoeid. Hij voelt het zweet in zijn nek en op zijn slapen. Nu nergens aankomen. Gauw dicht die klep. Beng.

Twee vingers van zijn rechterhand waren te laat weg aan de zijkant van de kofferbak. Die zit in het slot. De sleutel, binnen in het jasje dat hij net heeft uitgedaan. Hij brult. Het echoot tussen de boomstammen.

Luchtstad Schiphol

Filed under: Mini's, Op straat — Dirk van Weelden @ 10:31 am

schiphol.jpg

Er bestaat een imperium van de lucht. Het wordt bevolkt door grote vliegende machines. Toen ze er een keer waren wilden ze broers en zusters om glorieus en bulderend mee door het luchtruim te schieten. De mensen hebben die broers en zusters braaf gebouwd. In ruil daarvoor mogen mensen en hun goederen met de machines mee. Soms hebben de machines onderhoud en kerosine nodig. Dan begeven ze zich naar de uithoeken van het luchtrijk. Daar, op het aardoppervlak hebben mensen voor de machines rustplaatsen aangelegd.

De zware en snelle machines hebben veel leegte nodig om veilig te landen en te vertrekken. Midden in die leegtes liggen een soort steden. De machines nemen er brandstof in en kunnen mensen en goederen verversen. De luchtsteden zijn geen gewone mensensteden. Mensen mogen er niet wonen. Hoge hekken en bewapende poortwachters scheiden de wereld van de mensen van die van de vliegmachines. Binnen in de luchtsteden behoort de grond niet aan de aarde toe, maar is gewijd aan het luchtruim. Het zijn enclaves van het luchtrijk.

In een luchtstad zijn alleen personeel en passanten. Daarom zijn alle ruimtes gebouwd als doorgangsruimtes. Er zijn twee uitzonderingen, doodlopende vertrekken, toegankelijk voor iedereen: de toiletten en de gebedsruimtes. Hier kunnen mensen voor even intensief alleen zijn met respectievelijk het zeer tijdelijke en het eeuwige. Het zijn de enige plekken in een luchtstad waar respijt is van het Transit-regime dat in het luchtrijk heerst. Want alle andere activiteiten in een luchtstad (eten, winkelen, zich vermaken, wachten en geld wisselen ) vinden plaats onder het Transit-regime, dat wil zeggen onderworpen aan de bewegende toestand, losgekoppeld van huis en haard, eigen taal, land, continent, ja de hele ruimtelijke indeling van de aarde.

Het luchtruim is een homogeen medium, dat alleen in beweging en op hoge snelheid kan worden betreden. In het luchtrijk heerst daarom de tijd van de beweging absoluut over de ruimte. Van het draaien van de aarde en het licht van de zon trekken de machines zich in hun bewegingen niets aan. Dag en nacht hebben nauwelijks greep op de luchtsteden. Tijdzones vervagen er in elkaar. De wetten van het luchtruim gelden al in de luchtstad. De reiziger , wandelend door de luchtstad kan de werking ervan al ondergaan. Hij doolt door de supermarkt, zijn lichaam zegt het is nacht, de klokken en het licht zeggen het is middag. Hij staat voor de schappen naast mensen voor wie het ochtend of vroeg in de avond is. Hij is niet in een land, maar in een zone waar allerlei landen tegelijk zijn, omdat landen ook uit reizende mensen bestaan. Als hij nog op reis moet is hij toch al vertrokken, want hij is afgesneden van zijn plaats van herkomst. Als hij op doorreis is, komt hij hier nooit werkelijk aan, omdat hij alweer vertrokken is voordat zijn systeem beseft waar hij was.

Wat is die verdooldheid in de ogen van de mensen om hem heen? Ze zijn nergens, dat is het. Ze trekken voorbij als zorgelijke, oververmoeide pelgrims. De voetreis door brede gangen van het centrum van de luchtstad naar de machine maakt alle mensen gelijk. Ze dragen hun spullen en hun kinderen door de dag en nacht verlichte leegtes, die alleen een richting hebben. Met iedere stap komen ze dichter bij het moment waarop ze zich volledig, met huid en haar overleveren aan de wetten van het luchtruim. Aan de machine. Aan de snelheid die alle menselijke ritmes ontkent. Maar uren daarvoor is de overgave aan het Transit-regime al begonnen. Mensen in luchtsteden zijn tijdelijke, vrijwillige ballingen. Het effect is wezenloos en melancholiek, maar ook mooi. Ogen en oren werken er anders. Er ontstaan gesprekken die buiten de luchtstad niet ontstaan. Wie alleen en roerloos in een luchtstad, tussen duizenden vreemden zijn dierbaren, zijn liefdes, zijn werk, zijn toekomst heeft overdacht, heeft zijn leven vanuit het luchtruim gezien. De reis zelf is een ander verhaal.

images-2.jpg

Au en niet-Au

Filed under: Beeld — Dirk van Weelden @ 10:28 am

Het is mij maar één keer overkomen dat de ontmoeting met een kunstwerk niet nauwkeuriger dan met het woord ‘schok’ kon worden aangeduid. Ik bezocht een tentoonstelling van het werk van Dennis Oppenheim in het Boymans van Beuningen Museum te Rotterdam. Van de rest van de tentoonstelling kan ik me, waarschijnlijk mede door de schok die het ene werk veroorzaakte, niets meer herinneren.

Er zat een pop op de grond, gekleed in een losvallende zwarte mantel. Het hoofd dat er uitstak was kaal en deed Oosters aan, het was gemaakt van pukkelig brons. Deze Zen monnik op kabouterformaat zat in meditatiehouding pal tegenover een bronzen klok die aan een dunne staalkabel van het plafond hing. Tsja, zen, meditatie. Ik dacht nog even aan de televisie-boeddha van Nam June Paik en wou net wegslenteren toen de mediterende kabouter bliksemsnel naar voren schoot en met het voorhoofd de klok luidde. Ik schrok zo heftig, dat ik niet meer weet hoe de klok klonk, of hoe lang hij galmde.

Stokstijf stond ik, met bonzend hart en opstaande nekharen. Ik durfde amper weg te lopen, niet wetend wanneer het geweld weer zou losbarsten. En in afwachting van de volgende klokslag fixeerde ik het beeld. Er was een schrikseconde voor nodig geweest om mijn ogen te wassen. De harde slag en de bruutheid van het beeld van voorhoofd tegen bronzen klok hadden me wakker geschud uit routine waarmee ik door de zaal had bewogen.

Nu pas zag ik hoe goed alles klopte: het brons van het hoofd, het brons van de klok; de holheid van de klok, de beroemde leegheid van het mediterende bewustzijn. Het nauwe verband tussen de schrik die het beeld opriep en de ‘plotselinge Verlichting, als bij donderslag, midden in het alledaagse’ waar het Zenboedhisme op gebaseerd is. Bovendien was er een toespeling op de stokslagen waarmee zenmeesters hun mediterende leerlingen bij de les houden. Al die betekenissen verwezen direct naar de ervaring van het zien van het beeld zelf: de schrik deed de schellen van de ogen vallen, en met de schrik werd de onbepaalde tijdspanne tussen de klokslagen een meditatie, wachtend op plotselinge Verlichting, een ontlading van de opgebouwde spanning.

Ik dacht dat ik niet zou schrikken van de tweede kopstoot, maar hij kwam weer even onverwacht en fel als de eerste. Het harde geluid werkte even pijnlijk op de zenuwen. Na de derde, al even schokkende slag, bedacht ik me dat er toch een regelmaat in de bewegingen van de pop moest zitten. Maar ook de daarop volgende keren verraste de kabouter me volledig. Ik werd ongerust dat ik maar geen regelmaat kon ontdekken. Misschien dat de schrik mijn gevoel voor tijd saboteerde.

Mijn bezoek aan de tentoonstelling is ruim twintig jaar geleden, maar ik herinner me een detail waarin alles samenkomt : de uitgesleten richel in het bronzen voorhoofd van de monnik, waar het al duizenden keren tegen de klok had aangebeukt. Au en niet-Au. Litteken zonder naam, want van de schrik heb ik de titel van het werk niet onthouden.

De Dag

Filed under: Mini's — Dirk van Weelden @ 10:19 am

Iedere dag alles. Het etmaal als een mikrokosmos, een mozaïek.
Iedere dag in een boek lezen.
Iedere dag muziek maken.
Iedere dag voor jezelf schrijven.
Iedere dag kletsen, spelen, eten met de kinderen.
Iedere dag hardlopen.
Iedere dag klaarkomen.
Iedere dag goed eten maken.
Iedere dag door de stad wandelen of fietsen en goed kijken.
Iedere dag de toekomst bespreken met je lief en haar daarbij kussen.
Iedere dag jezelf wassen.
Iedere dag even durven denken dat het de laatste was.
Iedere dag lekker slapen.
Iedere dag de kost verdienen.
Iedere dag toegeven dat je minder intelligent en erudiet bent dan je lijkt.
Iedere dag toegeven dat je wijzer en cynischer bent dan je lijkt.
Iedere dag de krant lezen.
Iedere dag ontdekken dat geen enkele dag kan zijn als Iedere Dag.
Iedere dag het hoofd buigen voor de hel op aarde.
Ieder dag je tanden poetsen.
Iedere dag je eigen glazen ingooien.
Iedere dag het pijnlijke besef dat je leven groter is dan Iedere dag.
Iedere dag zingen.
Iedere dag aan dode mensen denken.
Iedere dag je angsten vervloeken.
Iedere dag je onrust vertrouwen.
Iedere dag fruit eten.
Iedere dag denken dat het anders kan.
Iedere dag jezelf voorhouden dat uitstel zinloos is.
Iedere dag je angsten waarderen.
Iedere dag iets gemeens zeggen.
Iedere dag blijven leven.

« Older Posts

Powered by WordPress