De wereld
De dag begint in het donker. Rouwende vrouwen in zwarte lappen op de voorpagina van de krant. Ze schreeuwen hun verdriet met het hoofd in de nek. Wijdopen monden waarin tanden ontbreken. Sterke, gerimpelde handen grijpen in het niets.
Daarna het werk. De hele dag lamplicht op het toetsenbord. Het daglicht is ziek. Op de radio blijkt de wereld op volle toeren te draaien, maar windstil en loodgrijs. Ondanks de pauzes met vrolijke muziek en opbeurende lectuur brengt ook het werk geen glimlach. De werkdag eindigt in het afvoerputje van de routine.
Dan het eten, de krant, de televisie waarop mannen in pakken machteloos hun retorische raderwerk op gang proberen te houden. Ze ligt stralend in bed, net uit bad, met gewassen en geföhnde haren, een halo van honinggoud om haar hoofd en op haar schouders. Ik kom binnenlopen en ze strekt haar armen wijd uit. Een brede glimlach. Ze sluit me in haar armen en zegt.
Weet je als ik iets aan de wereld zou kunnen veranderen dan zou ik alle winkels iets goedkoper maken. En alle ziekenhuizen goedkoper. En zorgen dat iedereen op de wereld een huis had. En ook dat de wereld iets groter was en de zee iets kleiner en dat het altijd lekker weer was. En ik zou ook iets eerder jarig zijn.