Grand Bahama Island. De zon is er hard, het land onvruchtbaar. Maar er zijn stranden. En dus is er ook een Grieks restaurant met een houten veranda. Cally’s Restaurant.
Daar in de schaduw zit een elegante dame van in de vijftig. Haar kleren zijn wat ouderwets, maar smaakvol. Diamanten in haar gouden oorbellen. Chice luchthartige glimlach. Ze spreekt me aan. Kalm en zelfverzekerd. Ik ben tenslotte haar gast. Zij is Cally. Al vijfentwintig jaar weduwe. Hard gewerkt, maar met succes. Vier zaken op het eiland. De kinderen getrouwd. Iedereen gezond. Ze haat de Bahama’s, a desert for the soul.
Drie keer per jaar is ze op haar eiland, Kalimenos. Daar woont een man van wie ze houdt. Een ingenieur. Ze aarzelt of ze zich bij hem zal voegen. Alles aan hem is goed, behalve zijn passie voor politiek. Hij wil verkiezingen winnen. In haar ogen maakt dat de liefde onmogelijk. Ze ziet zichzelf zitten, twee uur ’s nachts, wachtend tot hij terug komt van de met drank overgoten politieke ruzies over ego, geld, wraak. Ze kent het van haar vader. Wat moet ik doen? vraagt ze, ik ben al zo lang weduwe, u weet vast meer van de liefde dan ik.
Haar ogen karamelkleurig met groene vlekjes. Ogen die lang duren. Tot we vrienden zijn. Afscheid met een handkus zonder ironie.