Luchtstad Schiphol
Er bestaat een imperium van de lucht. Het wordt bevolkt door grote vliegende machines. Toen ze er een keer waren wilden ze broers en zusters om glorieus en bulderend mee door het luchtruim te schieten. De mensen hebben die broers en zusters braaf gebouwd. In ruil daarvoor mogen mensen en hun goederen met de machines mee. Soms hebben de machines onderhoud en kerosine nodig. Dan begeven ze zich naar de uithoeken van het luchtrijk. Daar, op het aardoppervlak hebben mensen voor de machines rustplaatsen aangelegd.
De zware en snelle machines hebben veel leegte nodig om veilig te landen en te vertrekken. Midden in die leegtes liggen een soort steden. De machines nemen er brandstof in en kunnen mensen en goederen verversen. De luchtsteden zijn geen gewone mensensteden. Mensen mogen er niet wonen. Hoge hekken en bewapende poortwachters scheiden de wereld van de mensen van die van de vliegmachines. Binnen in de luchtsteden behoort de grond niet aan de aarde toe, maar is gewijd aan het luchtruim. Het zijn enclaves van het luchtrijk.
In een luchtstad zijn alleen personeel en passanten. Daarom zijn alle ruimtes gebouwd als doorgangsruimtes. Er zijn twee uitzonderingen, doodlopende vertrekken, toegankelijk voor iedereen: de toiletten en de gebedsruimtes. Hier kunnen mensen voor even intensief alleen zijn met respectievelijk het zeer tijdelijke en het eeuwige. Het zijn de enige plekken in een luchtstad waar respijt is van het Transit-regime dat in het luchtrijk heerst. Want alle andere activiteiten in een luchtstad (eten, winkelen, zich vermaken, wachten en geld wisselen ) vinden plaats onder het Transit-regime, dat wil zeggen onderworpen aan de bewegende toestand, losgekoppeld van huis en haard, eigen taal, land, continent, ja de hele ruimtelijke indeling van de aarde.
Het luchtruim is een homogeen medium, dat alleen in beweging en op hoge snelheid kan worden betreden. In het luchtrijk heerst daarom de tijd van de beweging absoluut over de ruimte. Van het draaien van de aarde en het licht van de zon trekken de machines zich in hun bewegingen niets aan. Dag en nacht hebben nauwelijks greep op de luchtsteden. Tijdzones vervagen er in elkaar. De wetten van het luchtruim gelden al in de luchtstad. De reiziger , wandelend door de luchtstad kan de werking ervan al ondergaan. Hij doolt door de supermarkt, zijn lichaam zegt het is nacht, de klokken en het licht zeggen het is middag. Hij staat voor de schappen naast mensen voor wie het ochtend of vroeg in de avond is. Hij is niet in een land, maar in een zone waar allerlei landen tegelijk zijn, omdat landen ook uit reizende mensen bestaan. Als hij nog op reis moet is hij toch al vertrokken, want hij is afgesneden van zijn plaats van herkomst. Als hij op doorreis is, komt hij hier nooit werkelijk aan, omdat hij alweer vertrokken is voordat zijn systeem beseft waar hij was.
Wat is die verdooldheid in de ogen van de mensen om hem heen? Ze zijn nergens, dat is het. Ze trekken voorbij als zorgelijke, oververmoeide pelgrims. De voetreis door brede gangen van het centrum van de luchtstad naar de machine maakt alle mensen gelijk. Ze dragen hun spullen en hun kinderen door de dag en nacht verlichte leegtes, die alleen een richting hebben. Met iedere stap komen ze dichter bij het moment waarop ze zich volledig, met huid en haar overleveren aan de wetten van het luchtruim. Aan de machine. Aan de snelheid die alle menselijke ritmes ontkent. Maar uren daarvoor is de overgave aan het Transit-regime al begonnen. Mensen in luchtsteden zijn tijdelijke, vrijwillige ballingen. Het effect is wezenloos en melancholiek, maar ook mooi. Ogen en oren werken er anders. Er ontstaan gesprekken die buiten de luchtstad niet ontstaan. Wie alleen en roerloos in een luchtstad, tussen duizenden vreemden zijn dierbaren, zijn liefdes, zijn werk, zijn toekomst heeft overdacht, heeft zijn leven vanuit het luchtruim gezien. De reis zelf is een ander verhaal.

