Gaslicht
De gasfabriek behaalde een triomf op de ouderwetse duisternis. Dat klinkt feestelijk en dat was de vooruitgang toen ook nog. Het midden van de negentiende eeuw, het grote uitgaan kon beginnen. De middenklasse nam de openbaarheid over en dat ging gepaard met grote spiegels, bladgoud en tierelantijnplafonds. In de cafés troonden de kassajuffrouwen als volkse koninginnen tussen de bloemstukken, glanssatijn in het haar. Voor het eerst baadden boulevards, passages, cafés en theaters in een zee van licht.
Dat zag er sprookjesachtig uit, denken we nu. Maar vergeleken bij olielamp en kaars vonden veel mensen het nieuwe licht koud en nerveus. De lampen suisden, de vlammen flakkerden en konden onvoorspelbaar van kleur en intensiteit veranderen. Dit prozaïsche, onrustige licht, dat bedrieglijke effecten kon hebben, is het licht dat schijnt in de misdaad- en spookverhalen die in die tijd ontstaan.
In 1941 speelde Ingrid Bergman in de historische film ‘Gaslight’ een vrouw wier man haar tot waanzin probeert te drijven, in de hoop zich van haar geld meester te maken. In het met gaslicht verlichte herenhuis verandert hij dingen, laat mensen en voorwerpen verschijnen en verdwijnen. Tegenover haar houdt hij zich van de domme. Zij twijfelt aan haar waarneming en verstand. Denk aan die kwetsbare ogen en het gaslicht op haar gepoederde huid. Zo ontstaat de uitdrukking ‘to gaslight somebody’.

