Het kerkkoor heeft gezongen over de onbevattelijke schoonheid en macht van de zee. Onderwijl brengt de Mercedes het zeilbootje per aanhanger naar de haven. De magere man gaat zich overleveren aan de onverschillige krachten van de oceaan. Hij verwacht daar verlichting van, een uitweg uit de wurggreep die zijn ziel doodt. Hij trekt zich het universum namelijk nogal persoonlijk aan. Hij vindt zijn leven onacceptabel lullig als hij is waar hij is, doet wat hij doet, wil wat hij wil en maakt wat hij maakt.
Er is tenslotte ook nog zoiets als de eeuwigheid, vindt hij.
Zijn vader zou het God hebben genoemd. Die minuscule leegte, gewichtloos en loodzwaar tegelijk, die ieder molecuul, ieder moment, iedere handeling mogelijk maakt. Maar hoe maak je contact met die eeuwigheid? Hij heeft het geprobeerd door van daken te vallen, te huilen over de onuitsprekelijkheid van zijn onmogelijke verlangen. Hij maakte foto’s van zichzelf, dwalend door een nachtelijke wereldstad met een zaklantaarn. Het zijn maar fantasietjes, metaforen, spelletjes. Op zee is de eeuwigheid de baas. Daar is ie niet minuscuul, maar heerst hij mijlenhoog, kilometersdiep, zo ver het oog reikt. De wind bolt het zeil van het lullig kleine bootje. De man zeilt uit zicht. Hij hoopt op kosmisch inzicht, dat zijn bestaan overbodig maakt. Niemand ziet hem ooit weer.